 
{"id":14183,"date":"2026-09-01T11:14:52","date_gmt":"2026-09-01T11:14:52","guid":{"rendered":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/?p=14183"},"modified":"2026-09-11T22:06:43","modified_gmt":"2026-09-11T22:06:43","slug":"de-bodem-van-drenthe-vertelt-een-ingewikkelder-verhaal","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/2026\/09\/01\/de-bodem-van-drenthe-vertelt-een-ingewikkelder-verhaal\/","title":{"rendered":"De bodem van Drenthe vertelt een ingewikkelder verhaal"},"content":{"rendered":"\n<p class=\"has-text-align-left has-medium-font-size wp-block-paragraph\"><strong>Marine Isotope Stages, verplaatste vondsten en de veranderlijke bodem van Drenthe<\/strong><\/p>\n\n\n\n<h3 class=\"wp-block-heading\"><\/h3>\n\n\n\n<h3 class=\"wp-block-heading has-text-align-left\">Middenpaleolithische vondsten en MIS<\/h3>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><strong>MIS-fasen (Marine Isotope Stages)<\/strong> zijn perioden waarin het klimaat op aarde afwisselend warmer en kouder was. Ze worden vooral herkend aan veranderingen in zuurstofisotopen in onder andere diepzeesedimenten.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Marine Isotope Stages (MIS) worden bepaald aan de hand van zuurstofisotopen in kalkhoudende fossielen, zoals foraminiferen, die in sedimenten op de oceaanbodem worden gevonden. Wetenschappers meten de verhouding tussen de zuurstofisotopen \u00b9\u2078O en \u00b9\u2076O in deze schelpjes, uitgedrukt als \u03b4\u00b9\u2078O. Deze verhouding verandert door klimaatveranderingen, omdat tijdens koude perioden meer \u00b9\u2076O als ijs op het land wordt opgeslagen. Hierdoor ontstaan hogere \u03b4\u00b9\u2078O-waarden tijdens ijstijden en lagere waarden tijdens warmere perioden. Op basis van deze veranderingen in \u03b4\u00b9\u2078O kunnen verschillende MIS-fasen en daarmee vroegere klimaat- en ijstijdperioden worden gereconstrueerd.<\/p>\n\n\n<div class=\"wp-block-image\">\n<figure class=\"aligncenter size-full is-resized\"><img loading=\"lazy\" decoding=\"async\" width=\"1024\" height=\"768\" src=\"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/wp-content\/uploads\/2026\/09\/mis67673.jpeg\" alt=\"\" class=\"wp-image-14406\" style=\"width:520px;height:auto\" srcset=\"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/wp-content\/uploads\/2026\/09\/mis67673.jpeg 1024w, https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/wp-content\/uploads\/2026\/09\/mis67673-300x225.jpeg 300w, https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/wp-content\/uploads\/2026\/09\/mis67673-768x576.jpeg 768w\" sizes=\"auto, (max-width: 1024px) 100vw, 1024px\" \/><\/figure>\n<\/div>\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Voor <strong>Noord-Nederland<\/strong> zijn MIS-fasen belangrijk omdat ze een <strong>tijdskader vormen voor de ontwikkeling van het landschap<\/strong>. Ze helpen bijvoorbeeld om perioden van landijs, koude en warmere omstandigheden te plaatsen. Zo valt de landijsbedekking van Noord-Nederland tijdens het <strong>Saalien<\/strong> binnen een koude MIS-periode.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Bij middenpaleolithische (MP) vondsten in Noord-Nederland is voorzichtigheid nodig bij het koppelen van een artefact aan een specifieke Marine Isotope Stage (MIS). MIS-fasen zijn gebaseerd op natuurlijke klimaatschommelingen en vormen vooral een geologisch en paleoklimatologisch tijdskader. <strong>Een vuurstenen artefact kan niet rechtstreeks met MIS worden gedateerd.<\/strong> Een koppeling is alleen indirect mogelijk wanneer de geologische en archeologische context van de vondst betrouwbaar kan worden vastgesteld.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Daarbij is vooral van belang of een artefact <strong>in situ<\/strong> of <strong>niet in situ<\/strong> is aangetroffen. Een <em>insitu<\/em> artefact ligt nog op of nabij de plaats waar het in het verleden is achtergelaten. Wanneer de sedimentlaag waarin het ligt goed kan worden gedateerd of aan een bepaalde MIS-fase kan worden gekoppeld, kan het artefact indirect in die periode worden geplaatst.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Bij een <strong>niet insitu<\/strong> vondst is het artefact na de oorspronkelijke depositie verplaatst. In Noord-Nederland kan dit bijvoorbeeld zijn gebeurd door landijs, smeltwater, erosie of bodemprocessen. Dit is vooral relevant in Drenthe, waar het landschap tijdens het Pleistoceen sterk is veranderd. Tijdens het Saalien werden afzettingen en stenen door het landijs verplaatst en opnieuw afgezet. Hierdoor kunnen oudere artefacten in een jongere sedimentlaag terecht zijn gekomen.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">De ouderdom van het huidige sediment hoeft daarom niet gelijk te zijn aan de ouderdom van het artefact. Vooral bij losse oppervlaktevondsten of verstoorde vindplaatsen is een koppeling aan \u00e9\u00e9n specifieke MIS-fase vaak onzeker.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Bij de interpretatie moeten daarom drie zaken van elkaar worden onderscheiden: <strong>de ouderdom van het artefact, de ouderdom van het sediment en de mate waarin het artefact is verplaatst<\/strong>. Alleen wanneer de stratigrafische en geologische context voldoende betrouwbaar is, kan MIS helpen om een MP-vondst of vindplaats chronologisch te plaatsen.<\/p>\n\n\n\n<h1 class=\"wp-block-heading has-text-align-left\">Hoe is de bodemcontext in Drenthe specifiek verstoord?<\/h1>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">De bodemcontext in Drenthe is door een opeenvolging van destructieve geologische en klimatologische krachten letterlijk binnenstebuiten gekeerd. De belangrijkste verstoringen op een rij:<\/p>\n\n\n\n<ul class=\"wp-block-list\">\n<li><strong>De Saalien-stoomwals (v\u00f3\u00f3r en tijdens de vroege bewoning):<\/strong> Het kilometers dikke Scandinavische landijs denderde over Drenthe heen. Dit ijs schraapte de oudere ondergrond weg, nam zwerfstenen mee en liet bij het smelten een dichte, keiharde laag <strong>keizand<\/strong> achter. Eventuele menselijke sporen van v\u00e9\u00e9l vroege bewoners van v\u00f3\u00f3r de ijsbedekking zijn hierdoor volledig vermalen of verplaatst.<\/li>\n<\/ul>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><\/p>\n\n\n\n<ul class=\"wp-block-list\">\n<li><strong>Eemien-erosie (de warme periode):<\/strong> Na het smelten van het ijs ontstond een landschap met diepe geulen en smeltwaterdalen. <strong>Rivieren en beken verlegden constant hun loop door Drenthe.<\/strong> Werktuigen die Neanderthalers destijds langs de waterkant achterlieten, spoelden weg en raakten vermengd met de fijne riviersedimenten.<\/li>\n<\/ul>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><\/p>\n\n\n\n<ul class=\"wp-block-list\">\n<li><strong>Weichselien poolwoestijn-processen (de genadeklap):<\/strong> Hoewel het landijs Drenthe in deze laatste ijstijd niet bereikte, was de kou verwoestend voor de bodem:\n<ul class=\"wp-block-list\">\n<li><strong>Solifluctie (bodemafschuiving):<\/strong> Tijdens de korte zomers ontdooide alleen de bovenste topografie. Deze modderige toplaag gleed traag van de Drentse heuvelruggen en keileemwanden naar beneden, en nam alle daarin aanwezige artefacten mee.<\/li>\n\n\n\n<li><strong>Cryoturbatie (vries-dooikneding):<\/strong> De constante afwisseling van extreme bevriezing en dooi zorgde voor enorme drukverschillen in de bodem. De grond werd letterlijk omgekned, waardoor lichtere voorwerpen omhoog en zwaardere voorwerpen omlaag werden gedrukt. Stratigrafische lagen raakten hierdoor volledig door elkaar gehusseld.<\/li>\n\n\n\n<li><strong>Dekzandstormen:<\/strong> Hevige stormen bliezen metersdikke pakketten zand (dekzand) over Drenthe heen. Oudere werktuigen raakten diep begraven onder sedimenten die duizenden jaren jonger waren. <\/li>\n<\/ul>\n<\/li>\n<\/ul>\n\n\n\n<p class=\"has-small-font-size wp-block-paragraph\"><\/p>\n\n\n\n<p class=\"has-text-align-left wp-block-paragraph\"><strong>Gevolgen voor de MIS-koppeling<\/strong><\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Door deze opeenvolging liggen de meeste vuurstenen werktuigen in Drenthe zeer waarschijnlijk tegenwoordig <strong>niet insitu<\/strong>. Een artefact dat door een Neanderthaler in een bepaalde milde klimaatfase is achtergelaten, kan door Cryoturbatie en Solifluctie zijn verschoven naar een sedimentlaag uit een andere fase (zoals MIS 4 of 3 in het Weichselien). Omdat de huidige geologische laag niet meer overeenkomt met de oorspronkelijke leeflaag, is een indirecte, betrouwbare koppeling aan \u00e9\u00e9n specifieke Marine Isotope Stage op basis van de vindplaats nagenoeg onmogelijk geworden.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">De vondsten van Vermaning uit Hoogersmilde kunnen hierdoor wel als redelijk insitu worden beschouwd. Dat is enkel gebaseerd op de uiterlijke kenmerken die ze vertonen als ze minder onderhevig aan de bovenstaande geologische en klimatologische krachten hebben gelegen. Dit vormt momenteel nog steeds onderwerp van discussie tussen enkele amateurarcheologen en enkele beroepsarcheologen. Volgens sommige beroepsarcheologen wijzen die kenmerken van de Vermaning vondsten erop dat deze mogelijk vervalst zijn.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Volgens sommige beroepsarcheologen zouden de vondsten kenmerken zoals windlak en infiltraties in het vuursteen moeten vertonen. Het voorkomen van dergelijke verschijnselen, waaronder windlak en een toegenomen infiltratie, is volgens hen o.a. bewijs dat de artefacten gedurende lange tijd zijn blootgesteld aan destructieve geologische en klimatologische processen. Maar dan is het toch juist niet meer in situ. Dat neemt niet weg dat de Vermaning-artefacten waarschijnlijk wel door cryoturbatie zijn verplaatst met aantoonbare ribben slijtage. Dat kwam ook door herhaalde vries-dooicycli. Die artefacten zijn daaraan mogelijk wel minder onderhevig geweest, waardoor ze dicht bij elkaar en op hun oorspronkelijke vindplaats zijn gebleven. Als de artefacten van Vermaning in Hoogersmilde niet of minder in aanraking zijn gekomen met zandstormen en ijzer concentraties in de bodem zullen ze die kenmerken ook niet overtuigend vertonen.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Vuursteen artefacten uit Drenthe vertelt vooral iets over de geologische herkomst en ouderdom van de vuursteen. Ze geven niet indirect de MIS-fase of de ouderdom van het werktuig aan. Om een werktuig aan bijvoorbeeld MIS 5 te koppelen, is vooral de ouderdom en context van de sedimentlaag waarin het is gevonden van belang. Bij het Drents Plateau is dit extra moeilijk, omdat het landijs oudere materialen mogelijk kan hebben verplaatst. Solifluctie zorgde voor bodemafschuiving en Cryoturbatie heeft de bodem door vries-dooikneding omgewoeld. De circa 50.000 jaar oude vuistbijlen worden op basis van de MIS-klimaatschaal in het Weichselien gedateerd. Als gevolg van bodemvermenging in Drenthe zijn die artefacten echter zo goed als niet meer in situ, waardoor een betrouwbare toewijzing aan een specifieke MIS-fase niet mogelijk is. Hierdoor blijft het onzeker of de vuistbijlen tijdens MIS 5e dan wel MIS 5d zijn achtergelaten. En kan een artefact uit het Midden-Paleolithicum ook ouder dan 129.000 of 116.000 jaar oud zijn of zelfs jonger dan 50.000 jaar geleden.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Je kunt dan nog steeds een <strong>waarschijnlijke MIS-correlatie<\/strong> maken, maar je moet daarbij meerdere aanwijzingen gebruiken, zoals de laagopbouw, ligging en eventuele dateringen. Dus liever: <em>\u201cwaarschijnlijk Saalien\/MIS 6\u201d<\/em> dan met zekerheid <em>\u201cdit is MIS 6\u201d<\/em>.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><strong>ka = duizend jaar geleden.<\/strong> Een vuistbijl dat 50.000 jaar geleden is gemaakt kan worden ingedeeld in het  Weichselien. Zou een vuistbijl zijn gemaakt in het Eemien en toen achter gelaten dan kan dat volgens de Marine Isotopen MIS 5e niet na 115.000 of 116.000 jaar zijn.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><strong>Kort:<\/strong><\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Maar je kunt niet zomaar zeggen dat een laag MIS 6 is omdat er keileem ligt. Je moet ook kijken naar de ligging van de laag en hoe oud deze is. In Drenthe geldt grofweg: <strong>Saalien (MIS 6) = ijstijd, Eemien (MIS 5e) = warme periode en Weichselien (MIS 2\u20134) = laatste ijstijd<\/strong>. Aan de hand van de laagopbouw en ouderdom kun je bepalen bij welke periode de laag waarschijnlijk hoort. In Drenthe is het nog steeds mogelijk, maar het wordt wel lastiger. Door <strong>cryoturbatie en solifluctie<\/strong> kunnen bodemlagen in Drenthe sterk vervormd en door elkaar geraakt zijn. Daardoor is de oorspronkelijke volgorde niet altijd meer duidelijk.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><strong>Ook al is een vuistbijl tijdens het Eemien of Weichselien vervaardigd en achtergelaten, de bodem van Drenthe is in de loop van de tijd dusdanig verstoord en vermengd geraakt dat hierop geen nauwkeurige MIS datering kan worden toegepast. Omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de vuistbijl nog insitu ligt, kan de stratigrafische context niet altijd betrouwbaar worden gebruikt om de ouderdom van het artefact vast te stellen.<\/strong><\/p>\n\n\n\n<h3 class=\"wp-block-heading\">\ud83c\udfd4\ufe0f Geologische klimaatopeenvolging in Drenthe<\/h3>\n\n\n\n<figure class=\"wp-block-table\"><table class=\"has-fixed-layout\"><thead><tr><th>\ud83e\uddca <strong>SAALIEN<\/strong><\/th><th>\ud83c\udf21\ufe0f <strong>EEMIEN<\/strong><\/th><th>\ud83e\uddca\ud83c\udf21\ufe0f <strong>WEICHSELIEN<\/strong><\/th><\/tr><\/thead><tbody><tr><td><strong>MIS 6<\/strong><\/td><td><strong>MIS 5e<\/strong><\/td><td><strong>MIS 5d \u2192 5c \u2192 5b \u2192 5a \u2192 4 \u2192 3 \u2192 2<\/strong><\/td><\/tr><tr><td><strong>ca. 190\u2013129 ka<\/strong><\/td><td><strong>ca. 129\u2013116 ka<\/strong><\/td><td><strong>ca. 116\u201311,7 ka<\/strong><\/td><\/tr><tr><td>Koude ijstijd<\/td><td>Warme tussenijstijd<\/td><td>Laatste ijstijd<\/td><\/tr><tr><td>\ud83e\uddca Zeer koud<\/td><td>\ud83c\udf21\ufe0f Overwegend warm<\/td><td>\ud83e\uddca\ud83c\udf21\ufe0f Koud en sterk wisselend<\/td><\/tr><tr><td>\ud83e\uddca <strong>Landijs bereikt Drenthe<\/strong><\/td><td>\ud83c\udf33 Warmere omstandigheden<\/td><td>\ud83c\udf2c\ufe0f <strong>Periglaciaal klimaat in Drenthe<\/strong><\/td><\/tr><tr><td>\ud83e\udea8 Keizand en stuwwallen<\/td><td>\ud83c\udf21\ufe0f Klimaatschommelingen<\/td><td>\ud83e\uddca Geen landijsbedekking van Drenthe<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td>\u2198\ufe0f Geleidelijke afkoeling aan het einde<\/td><td>\ud83e\uddca <strong>MIS 5d:<\/strong> koud<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83c\udf21\ufe0f <strong>MIS 5c:<\/strong> relatief mild<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83e\uddca <strong>MIS 5b:<\/strong> koud<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83c\udf21\ufe0f <strong>MIS 5a:<\/strong> relatief mild<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83e\uddca <strong>MIS 4:<\/strong> zeer koud<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83c\udf21\ufe0f <strong>MIS 3:<\/strong> wisselend \/ relatief milder<\/td><\/tr><tr><td><\/td><td><\/td><td>\ud83e\uddca <strong>MIS 2:<\/strong> zeer koud<\/td><\/tr><\/tbody><\/table><\/figure>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Ook Thermoluminescentiedatering (TL-datering), kan in principe worden toegepast. De interpretatie van die dateringsresultaten vereist hierbij echter ook voorzichtigheid. Door cryoturbatie kunnen zandkorrels uit verschillende afzettingsfasen met elkaar vermengd en verplaatst zijn geraakt. Hierdoor kan het sediment een mengpopulatie van korrels met verschillende ouderdommen bevatten.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">De gemeten luminescentieleeftijd hoeft daarom niet noodzakelijk overeen te komen met het moment van bodemvorming. De verkregen datering kan ook betrekking hebben op eerdere afzettings- of blootstellingsfasen van individuele zandkorrels. Om de ouderdom van een cryoturbatoir verstoorde bodem betrouwbaar te bepalen, moeten de MIS en luminescentieresultaten daarom worden ge\u00efnterpreteerd in samenhang met de sedimentologische context en de mate van postdepositionele verstoring.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Bron:<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><strong><a href=\"https:\/\/www.cambridge.org\/core\/services\/aop-cambridge-core\/content\/view\/8795AEC8CC9EE564D75A3352F10F2851\/S0016774618000161a.pdf\/glacial-geology-of-saalian-relief-around-midwolda-eastern-groningen-the-netherlands.pdf\" target=\"_blank\" rel=\"noopener\">Glacial geology of Saalian relief around Midwolda<\/a><\/strong><br>Dit is een modern geologisch onderzoek in Noord-Nederland. Het beschrijft dat <strong>Weichselien-cryoturbatie oudere afzettingen kan binnendringen<\/strong>, zelfs tot in oudere Elsterien-afzettingen. Dat is een mooi voorbeeld van waarom je voorzichtig moet zijn met een directe MIS-correlatie op basis van alleen de huidige laagopbouw.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\">Beknopt&#8221;, Ogg, James George, Ogg, Gabi, Gradstein FM, <em>De beknopte geologische tijdschaal<\/em> , 2008, Cambridge University Press, 2008, <a href=\"https:\/\/en.wikipedia.org\/wiki\/ISBN_(identifier)\">ISBN<\/a> &nbsp;<a href=\"https:\/\/en.wikipedia.org\/wiki\/Special:BookSources\/0-521-89849-8\">0-521-89849-8<\/a> , <a href=\"https:\/\/en.wikipedia.org\/wiki\/ISBN_(identifier)\">ISBN<\/a> &nbsp;<a href=\"https:\/\/en.wikipedia.org\/wiki\/Special:BookSources\/978-0-521-89849-2\">978-0-521-89849-2<\/a><\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><a href=\"https:\/\/web.archive.org\/web\/20160303183334\/http:\/\/www.colorado.edu\/geography\/class_homepages\/geog_5241_f09\/media\/Readings\/shackletonetal.pdf\">Mariene isotopen subfase 5e en het Eemien-interglaciaal<\/a> , <em>NJ Shackleton<\/em> , 2003<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><a href=\"https:\/\/nl.wikipedia.org\/wiki\/Henk_Berendsen\">Berendsen, H.J.A.<\/a>; 2004: <em>De vorming van het land: inleiding in de geologie en de geomorfologie<\/em>, Uitgeverij Van Gorcum, <a href=\"https:\/\/nl.wikipedia.org\/wiki\/Speciaal:Boekbronnen\/9023240758\">ISBN 9023240758<\/a>.<\/p>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><a href=\"https:\/\/web.archive.org\/web\/20120309153706\/http:\/\/www.people.fas.harvard.edu\/~phuybers\/Doc\/progression_qsr2007.pdf\">Glaciale variabiliteit gedurende de laatste twee miljoen jaar<\/a> , <em>P. Huybers<\/em> , 2007<\/p>\n\n\n\n<h3 class=\"wp-block-heading\"><\/h3>\n\n\n\n<p class=\"wp-block-paragraph\"><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Marine Isotope Stages, verplaatste vondsten en de veranderlijke bodem van Drenthe Middenpaleolithische vondsten en MIS MIS-fasen (Marine Isotope Stages) zijn perioden waarin het klimaat op aarde afwisselend warmer en kouder was. Ze worden vooral herkend aan veranderingen in zuurstofisotopen in onder andere diepzeesedimenten. Marine Isotope Stages (MIS) worden bepaald aan de hand van zuurstofisotopen in kalkhoudende fossielen, zoals foraminiferen, die in sedimenten op de oceaanbodem worden gevonden. Wetenschappers meten de verhouding tussen de zuurstofisotopen \u00b9\u2078O en \u00b9\u2076O in deze schelpjes, uitgedrukt als \u03b4\u00b9\u2078O. Deze verhouding verandert door klimaatveranderingen, omdat tijdens koude perioden meer \u00b9\u2076O als ijs op het land wordt opgeslagen. Hierdoor ontstaan hogere \u03b4\u00b9\u2078O-waarden tijdens ijstijden en lagere waarden tijdens warmere perioden. Op basis van deze veranderingen in \u03b4\u00b9\u2078O kunnen verschillende MIS-fasen en daarmee vroegere klimaat- en ijstijdperioden worden gereconstrueerd. Voor Noord-Nederland zijn MIS-fasen belangrijk omdat ze een tijdskader vormen voor de ontwikkeling van het landschap. Ze helpen bijvoorbeeld om perioden van landijs, koude en warmere omstandigheden te plaatsen. Zo valt de landijsbedekking van Noord-Nederland tijdens het Saalien binnen een koude MIS-periode. Bij middenpaleolithische (MP) vondsten in Noord-Nederland is voorzichtigheid nodig bij het koppelen van een artefact aan een specifieke Marine Isotope Stage (MIS). MIS-fasen zijn gebaseerd op natuurlijke klimaatschommelingen en vormen vooral een geologisch en paleoklimatologisch tijdskader. Een vuurstenen artefact kan niet rechtstreeks met MIS worden gedateerd. Een koppeling is alleen indirect mogelijk wanneer de geologische en archeologische context van de vondst betrouwbaar kan worden vastgesteld. Daarbij is vooral van belang of een artefact in situ of niet in situ is aangetroffen. Een insitu artefact ligt nog op of nabij de plaats waar het in het verleden is achtergelaten. Wanneer de sedimentlaag waarin het ligt goed kan worden gedateerd of aan een bepaalde MIS-fase kan worden gekoppeld, kan het artefact indirect in die periode worden geplaatst. Bij een niet insitu vondst is het artefact na de oorspronkelijke depositie verplaatst. In Noord-Nederland kan dit bijvoorbeeld zijn gebeurd door landijs, smeltwater, erosie of bodemprocessen. Dit is vooral relevant in Drenthe, waar het landschap tijdens het Pleistoceen sterk is veranderd. Tijdens het Saalien werden afzettingen en stenen door het landijs verplaatst en opnieuw afgezet. Hierdoor kunnen oudere artefacten in een jongere sedimentlaag terecht zijn gekomen. De ouderdom van het huidige sediment hoeft daarom niet gelijk te zijn aan de ouderdom van het artefact. Vooral bij losse oppervlaktevondsten of verstoorde vindplaatsen is een koppeling aan \u00e9\u00e9n specifieke MIS-fase vaak onzeker. Bij de interpretatie moeten daarom drie zaken van elkaar worden onderscheiden: de ouderdom van het artefact, de ouderdom van het sediment en de mate waarin het artefact is verplaatst. Alleen wanneer de stratigrafische en geologische context voldoende betrouwbaar is, kan MIS helpen om een MP-vondst of vindplaats chronologisch te plaatsen. Hoe is de bodemcontext in Drenthe specifiek verstoord? De bodemcontext in Drenthe is door een opeenvolging van destructieve geologische en klimatologische krachten letterlijk binnenstebuiten gekeerd. De belangrijkste verstoringen op een rij: Gevolgen voor de MIS-koppeling Door deze opeenvolging liggen de meeste vuurstenen werktuigen in Drenthe zeer waarschijnlijk tegenwoordig niet insitu. Een artefact dat door een Neanderthaler in een bepaalde milde klimaatfase is achtergelaten, kan door Cryoturbatie en Solifluctie zijn verschoven naar een sedimentlaag uit een andere fase (zoals MIS 4 of 3 in het Weichselien). Omdat de huidige geologische laag niet meer overeenkomt met de oorspronkelijke leeflaag, is een indirecte, betrouwbare koppeling aan \u00e9\u00e9n specifieke Marine Isotope Stage op basis van de vindplaats nagenoeg onmogelijk geworden. De vondsten van Vermaning uit Hoogersmilde kunnen hierdoor wel als redelijk insitu worden beschouwd. Dat is enkel gebaseerd op de uiterlijke kenmerken die ze vertonen als ze minder onderhevig aan de bovenstaande geologische en klimatologische krachten hebben gelegen. Dit vormt momenteel nog steeds onderwerp van discussie tussen enkele amateurarcheologen en enkele beroepsarcheologen. Volgens sommige beroepsarcheologen wijzen die kenmerken van de Vermaning vondsten erop dat deze mogelijk vervalst zijn. Volgens sommige beroepsarcheologen zouden de vondsten kenmerken zoals windlak en infiltraties in het vuursteen moeten vertonen. Het voorkomen van dergelijke verschijnselen, waaronder windlak en een toegenomen infiltratie, is volgens hen o.a. bewijs dat de artefacten gedurende lange tijd zijn blootgesteld aan destructieve geologische en klimatologische processen. Maar dan is het toch juist niet meer in situ. Dat neemt niet weg dat de Vermaning-artefacten waarschijnlijk wel door cryoturbatie zijn verplaatst met aantoonbare ribben slijtage. Dat kwam ook door herhaalde vries-dooicycli. Die artefacten zijn daaraan mogelijk wel minder onderhevig geweest, waardoor ze dicht bij elkaar en op hun oorspronkelijke vindplaats zijn gebleven. Als de artefacten van Vermaning in Hoogersmilde niet of minder in aanraking zijn gekomen met zandstormen en ijzer concentraties in de bodem zullen ze die kenmerken ook niet overtuigend vertonen. Vuursteen artefacten uit Drenthe vertelt vooral iets over de geologische herkomst en ouderdom van de vuursteen. Ze geven niet indirect de MIS-fase of de ouderdom van het werktuig aan. Om een werktuig aan bijvoorbeeld MIS 5 te koppelen, is vooral de ouderdom en context van de sedimentlaag waarin het is gevonden van belang. Bij het Drents Plateau is dit extra moeilijk, omdat het landijs oudere materialen mogelijk kan hebben verplaatst. Solifluctie zorgde voor bodemafschuiving en Cryoturbatie heeft de bodem door vries-dooikneding omgewoeld. De circa 50.000 jaar oude vuistbijlen worden op basis van de MIS-klimaatschaal in het Weichselien gedateerd. Als gevolg van bodemvermenging in Drenthe zijn die artefacten echter zo goed als niet meer in situ, waardoor een betrouwbare toewijzing aan een specifieke MIS-fase niet mogelijk is. Hierdoor blijft het onzeker of de vuistbijlen tijdens MIS 5e dan wel MIS 5d zijn achtergelaten. En kan een artefact uit het Midden-Paleolithicum ook ouder dan 129.000 of 116.000 jaar oud zijn of zelfs jonger dan 50.000 jaar geleden. Je kunt dan nog steeds een waarschijnlijke MIS-correlatie maken, maar je moet daarbij meerdere aanwijzingen gebruiken, zoals de laagopbouw, ligging en eventuele dateringen. Dus liever: \u201cwaarschijnlijk Saalien\/MIS 6\u201d dan met zekerheid \u201cdit is MIS 6\u201d. ka = duizend jaar geleden. Een vuistbijl dat 50.000 jaar geleden is gemaakt kan worden ingedeeld in het Weichselien. Zou een vuistbijl zijn gemaakt in het Eemien en toen achter gelaten dan kan dat volgens de Marine Isotopen MIS 5e niet na 115.000 of 116.000 jaar zijn. Kort: Maar je kunt niet zomaar zeggen dat een laag MIS 6 is omdat er keileem ligt. Je moet ook kijken naar de ligging van de laag en hoe oud deze is. In Drenthe geldt grofweg: Saalien (MIS 6) = ijstijd, Eemien (MIS 5e) = warme periode en Weichselien (MIS 2\u20134) = laatste ijstijd. Aan de hand van de laagopbouw en ouderdom kun je bepalen bij welke periode de laag waarschijnlijk hoort. In Drenthe is het nog steeds mogelijk, maar het wordt wel lastiger. Door cryoturbatie en solifluctie kunnen bodemlagen in Drenthe sterk vervormd en door elkaar geraakt zijn. Daardoor is de oorspronkelijke volgorde niet altijd meer duidelijk. Ook al is een vuistbijl tijdens het Eemien of Weichselien vervaardigd en achtergelaten, de bodem van Drenthe is in de loop van de tijd dusdanig verstoord en vermengd geraakt dat hierop geen nauwkeurige MIS datering kan worden toegepast. Omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de vuistbijl nog insitu ligt, kan de stratigrafische context niet altijd betrouwbaar worden gebruikt om de ouderdom van het artefact vast te stellen. \ud83c\udfd4\ufe0f Geologische klimaatopeenvolging in Drenthe \ud83e\uddca SAALIEN \ud83c\udf21\ufe0f EEMIEN \ud83e\uddca\ud83c\udf21\ufe0f WEICHSELIEN MIS 6 MIS 5e MIS 5d \u2192 5c \u2192 5b \u2192 5a \u2192 4 \u2192 3 \u2192 2 ca. 190\u2013129 ka ca. 129\u2013116 ka ca. 116\u201311,7 ka Koude ijstijd Warme tussenijstijd Laatste ijstijd \ud83e\uddca Zeer koud \ud83c\udf21\ufe0f Overwegend warm \ud83e\uddca\ud83c\udf21\ufe0f Koud en sterk wisselend \ud83e\uddca Landijs bereikt Drenthe \ud83c\udf33 Warmere omstandigheden \ud83c\udf2c\ufe0f Periglaciaal klimaat in Drenthe \ud83e\udea8 Keizand en stuwwallen \ud83c\udf21\ufe0f Klimaatschommelingen \ud83e\uddca Geen landijsbedekking van Drenthe \u2198\ufe0f Geleidelijke afkoeling aan het einde \ud83e\uddca MIS 5d: koud \ud83c\udf21\ufe0f MIS 5c: relatief mild \ud83e\uddca MIS 5b: koud \ud83c\udf21\ufe0f MIS 5a: relatief mild \ud83e\uddca MIS 4: zeer koud \ud83c\udf21\ufe0f MIS 3: wisselend \/ relatief milder \ud83e\uddca MIS 2: zeer koud Ook Thermoluminescentiedatering (TL-datering), kan in principe worden toegepast. De interpretatie van die dateringsresultaten vereist hierbij echter ook voorzichtigheid. Door cryoturbatie kunnen zandkorrels uit verschillende afzettingsfasen met elkaar vermengd en verplaatst zijn geraakt. Hierdoor kan het sediment een mengpopulatie van korrels met verschillende ouderdommen bevatten. De gemeten luminescentieleeftijd hoeft daarom niet noodzakelijk overeen te komen met het moment van bodemvorming. De verkregen datering kan ook betrekking hebben op eerdere afzettings- of blootstellingsfasen van individuele zandkorrels. Om de ouderdom van een cryoturbatoir verstoorde bodem betrouwbaar te bepalen, moeten de MIS en luminescentieresultaten daarom worden ge\u00efnterpreteerd in samenhang met de sedimentologische context en de mate van postdepositionele verstoring. Bron: Glacial geology of Saalian relief around MidwoldaDit is een modern geologisch onderzoek in Noord-Nederland. Het beschrijft dat Weichselien-cryoturbatie oudere afzettingen kan binnendringen, zelfs tot in oudere Elsterien-afzettingen. Dat is een mooi voorbeeld van waarom je voorzichtig moet zijn met een directe MIS-correlatie op basis van alleen de huidige laagopbouw. Beknopt&#8221;, Ogg, James George, Ogg, Gabi, Gradstein FM, De beknopte geologische tijdschaal , 2008, Cambridge University Press, 2008, ISBN &nbsp;0-521-89849-8 , ISBN &nbsp;978-0-521-89849-2 Mariene isotopen subfase 5e en het Eemien-interglaciaal , NJ Shackleton , 2003 Berendsen, H.J.A.; 2004: De vorming van het land: inleiding in de geologie en de geomorfologie, Uitgeverij Van Gorcum, ISBN 9023240758. Glaciale variabiliteit gedurende de laatste twee miljoen jaar , P. Huybers , 2007<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":14394,"comment_status":"open","ping_status":"closed","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"footnotes":""},"categories":[52],"tags":[],"class_list":["post-14183","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry","category-weblog-3"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/14183","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=14183"}],"version-history":[{"count":83,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/14183\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":14676,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/14183\/revisions\/14676"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media\/14394"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=14183"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=14183"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/steentijdvondsten.nl\/post\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=14183"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}