In het boek Valsheid in Gesteente voeren de auteurs slijpplaatonderzoek aan als belangrijk bewijs voor de vermeende vervalsing van vuurstenen artefacten die de amateurarcheoloog Ad Wouters vond in het zuidoost Friese Siegerswoude 2. Zij wijzen erop dat in slijpplaatjes van deze vondsten geen ijzerinfiltratie is aangetroffen, terwijl die volgens hen wel voorkomt in vergelijkbare artefacten van andere vindplaatsen. Dat verschil vormt voor hen een aanwijzing dat de onderzochte artefacten niet authentiek zijn.
Geoarcheoloog professor Hans Huisman (Rijksuniversiteit Groningen) zet daar echter stevige vraagtekens bij. In zijn artikel Collateral damage? Hoe de jacht op vervalsers steentijdartefacten en -vindplaatsen in diskrediet kan brengen stelt hij dat het slijpplaatonderzoek technisch onjuist is uitgevoerd en dat de resultaten in sommige gevallen verkeerd zijn geïnterpreteerd. Volgens Huisman is het bewijs daarom te zwak om zulke verstrekkende conclusies te trekken. Hij merkt bovendien op dat zijn inhoudelijke kritiek door de auteurs van Valsheid in Gesteente onbeantwoord is gebleven.
Bij onderzoek aan vuursteen met een gepolariseerde lichtmicroscoop is de kwaliteit van het slijpplaatje van groot belang. In de petrografie geldt een internationale standaard: gesteentemonsters worden teruggeslepen tot een dikte van ongeveer 30 micrometer (25–30 µm). Alleen bij deze dikte vertonen mineralen hun karakteristieke interferentiekleuren, waardoor verschillende monsters betrouwbaar met elkaar kunnen worden vergeleken.
Een gepolariseerde lichtmicroscoop werkt met twee polarisatiefilters. Wanneer gepolariseerd licht door een dun gesteentemonster gaat, ontstaan afhankelijk van de kristalstructuur en de dikte van het preparaat karakteristieke kleurpatronen. Deze kleuren geven informatie over de opbouw en samenstelling van het gesteente. Omdat de kleuren rechtstreeks afhankelijk zijn van de dikte van het slijpplaatje, kunnen preparaten met sterk uiteenlopende diktes niet zonder meer met elkaar worden vergeleken.
Volgens Huisman zijn de slijpplaatjes die De Vries en collega’s gebruikten niet volgens deze standaard vervaardigd. Hij stelt dat de dikte varieert van ongeveer 30 tot zelfs 200 micrometer. Als dat juist is, kunnen verschillen in kleur mede het gevolg zijn van de preparaatdikte in plaats van verschillen in het gesteente zelf. Dat zou de interpretatie van de microscopische beelden bemoeilijken.
Huisman wijst daarnaast op de mogelijkheid dat tijdens het vervaardigen van de slijpplaatjes acetaat is gebruikt om de dunne preparaten los te maken. Hij vermoedt dat eventuele resten daarvan als verontreiniging zijn geïnterpreteerd en ten onrechte als aanvullend bewijs voor vervalsing van de vuurstenen uit Siegerswoude 2 zijn aangemerkt. Om te kunnen concluderen dat sprake is van vervalsing van de vuurstenen werktuigen, is aanvullend analytisch onderzoek nodig.
De discussie onderstreept het belang van zorgvuldig geprepareerde slijpplaatjes en transparante documentatie van de gebruikte onderzoeksmethoden. Juist bij controversiële vondsten zijn reproduceerbare preparatietechnieken essentieel om wetenschappelijke conclusies betrouwbaar te kunnen toetsen.
Bron:
- https://research.rug.nl/nl/publications/collateral-damage-hoe-de-jacht-op-vervalsers-onterecht-steentijda/
- https://spa-uitgevers.biedmeer.nl/Webwinkel-Product-873090594/ArtefActueel-2.html