Uitgelicht - Vindplaatsen & landschappen

Het onderzoek bij Hijken

Hijken – Toen archeoloog drs. Dick Stapert de schop in de grond zette in de nabijheid van de vindplaats van Tjerk Vermaning bij Hijken, moest het onderzoek duidelijkheid brengen over de opmerkelijke vuurstenen werktuigen die daar waren gevonden. De verwachtingen waren hoog. Toch leverde het graafwerk op enige afstand van de originele vindplaats geen nieuwe artefacten op.

Daarmee ontstond een probleem dat tot op de dag van vandaag onderdeel is van de discussie rond de vondsten Hijken van Vermaning. Want wat betekent het eigenlijk als een archeologische opgraving niets oplevert?

Stapert zou later tot de conclusie komen dat het onwaarschijnlijk was dat de stenen van Vermaning authentieke prehistorische werktuigen waren. En maakt een vergelijking met Mander. Zoals Stapert schrijft in The Vermaning Stones: Some Facts and Arguments. Hij schrijft onder andere over de geologie omstandigheden van de vondsten en aan de vraag of deze op natuurlijke wijze in de bodem terecht konden zijn gekomen.

Een van de argumenten die een rol speelden bij zijn opgraving Hijken was de waarneming van glooiing in het landschap ontstaan door solifluctie. Er waren echter geen aanwijzingen dat de artefacten als gevolg van deze solifluctie waren verplaatst.

Solifluctie als verklaring

Solifluctie is een natuurlijk proces dat vooral voorkomt in koude gebieden waar de ondergrond langdurig bevroren is. Wanneer de bovenste bodemlaag tijdens een dooiperiode ontdooit en met water verzadigd raakt, kan deze langzaam over de bevroren ondergrond naar beneden vloeien.

Voor archeologen is dat van belang. Vuurstenen werktuigen die oorspronkelijk op een bepaalde plaats zijn achtergelaten, kunnen door dergelijke processen over enige afstand worden verplaatst.

Stapert verwees in zijn argumentatie naar de Midden-Paleolithische vindplaats Mander in Overijssel. Daar werden tientallen artefacten over een groot gebied verspreid aangetroffen. De werktuigen lagen niet meer allemaal op hun oorspronkelijke plaats, maar waren door natuurlijke processen hellingafwaarts verplaatst.

Hijken leek volgens hem op belangrijke punten een ander beeld te laten zien. De werktuigen die Vermaning daar had gevonden, lagen relatief dicht bij elkaar.

Bij Hijken vormde het door Stapert waargenomen glooiende landschap volgens hem een duidelijke aanwijzing dat daar solifluctieprocessen hadden plaatsgevonden. Er waren echter geen aanwijzingen dat de artefacten van Vermaning als gevolg van deze solifluctie waren verplaatst. Dit verschil speelde volgens Stapert een belangrijke rol bij zijn twijfel aan de authenticiteit van de Vermaning-vondsten.

Dick Stapert schrijft in zijn paper the vermaning stones: some facts and arguments:

Ik zag mogelijke aanwijzingen voor solifluctie toen ik profielen op de ‘vindplaats’ Hijken bestudeerde (fig. 1), tijdens de opgraving die ik daar in 1973 uitvoerde en die, wat het Midden-Paleolithicum betreft, geen resultaten opleverde (Stapert, 1976a; 1976c).

Bij de Midden-Paleolithische vindplaats Mander werd waargenomen dat de enkele tientallen vondsten over een groot gebied verspreid lagen, met een diameter van ten minste 250 meter. Deze verspreiding is waarschijnlijk het gevolg van solifluctie gedurende een lange periode, nadat de artefacten waren achtergelaten (Stapert, 1982a).

‘Concentraties’ van Midden-Paleolithische artefacten in het keizand binnen hellende gebieden in de provincie Drenthe, met diameters van respectievelijk 3,10 × 2,00 en 2,15 × 1,20 meter

Concentraties van Vermanings ‘vindplaats’ lijken mij om deze reden ondenkbaar, zelfs bij geringe hellingen.

Gezien het ontstaan van keizand zouden oorspronkelijke concentraties van artefacten in de loop van enkele tienduizenden jaren na hun afzetting aanzienlijk verspreid zijn geraakt.

De Pingoruïne van Hijken

Juist hier komt een ander landschapselement in beeld: de pingoruïne 151 vlak bij de vindplaats Hijken. De enige glooiing in het landschap van de vindplaats Hijken die we momenteel kunnen waarnemen is een pingoruïne.

Drenthe is rijk aan pingoruïnes, ronde ovale laagten die zijn ontstaan nadat vroegere vorstheuvels, zogenaamde pingo’s, instortten. Deze pingo’s ontstonden in een zeer koud klimaat, toen zich onder de bodem grote ijslenzen konden vormen. Nadat het klimaat warmer werd en het ijs smolt, zakte de heuvel in en bleef een komvormige laagte achter. Tijdens het afsmelten ontstonden modder stromen of zakte de bodem gelaagde weer terug. Pingoruïnes worden vooral in verband gebracht met het late Weichselien, de laatste fase van de laatste ijstijd. Het Weichselien zelf duurde ongeveer van 116.000 tot 11.700 jaar geleden. De vorming van pingo’s wordt echter vooral in de zeer koude fase van deze periode geplaatst. De Weichselien-stadia waren verschillende klimaatfasen tijdens de laatste ijstijd, van ongeveer 130.000 tot 12.000 jaar geleden. Het klimaat wisselde tussen koude en relatief milde perioden, waarbij vooral de fasen rond 70.000 en 20.000 jaar geleden zeer koud waren.

Het kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat Neanderthalers ten tijde van de pingoheuvel 151 bij de vindplaats Hijken aanwezig waren en deze hebben benut. De interpretatie van de auteurs van RAAP dat een pingoheuvel voor neanderthalers een belangrijke rol kan hebben gespeeld, zoals ze schrijven in de Catalogus Expeditie Vuistbijl acht ik echter wel aannemelijk.

Dat maakt de bodemgeschiedenis rond de vindplaats Hijken interessant.

Een belangrijke citaat uit Catalogus Expeditie Vuistbijl:

Pingo’s kunnen daarmee een belangrijke rol hebben gespeeld in het gebruik van het landschap door de neanderthaler, als uitzichtpunt voor wild tijdens de intacte fase, en als drinkwatervoorziening in de ruïnefase. Auteurs: Marc Verhoeven (RAAP), Yannick Raczynski-Henk (haghtanak)en Rob Paulussen (ArcheoPro);van RAAP 2020.

Tijdens de interstadialen van de ijstijd en later, bij het afsmelten van een pingo, konden water, modder en sediment zich verplaatsen. Hierdoor werd de bodem rondom de vindplaats mogelijk opnieuw gevormd en plaatselijk met sediment afgedekt.

Wanneer de werktuigen bij Hijken relatief dicht bij elkaar lagen, hoeft dat niet noodzakelijk te betekenen dat zij door grote hellingafwaartse bewegingen zijn verplaatst.

Bij het afsmelten van een pingo kan gedurende langere tijd veel water vrijkomen. Dit water kan fijne bodemdeeltjes, leem, zand en ander sediment meevoeren. Wanneer het modderwater tot stilstand komt, kunnen deze materialen zich geleidelijk opnieuw afzetten en de achtergelaten artefacten bedekken. Dit betekent niet noodzakelijk dat de artefacten door het modderwater zijn verplaatst.

De werktuigen zouden als het ware onder een laag modderig keizand kunnen zijn begraven, zonder dat zij over tientallen of honderden meters werden verspreid.

Dit is echter een mogelijke bodemkundige reconstructie en geen bewezen verklaring. Daarvoor zou de oorspronkelijke bodemopbouw van Hijken nauwkeurig moeten worden onderzocht voor zover dat mogelijk is.

Een werktuig van bijvoorbeeld 50.000 jaar oud valt weliswaar binnen het Weichselien, en dat pingoruïnes vooral in het late Weichselien ontstonden, betekent niet automatisch dat de vuistbijlen uit diezelfde periode dateren.

Afbeelding: Vp geeft de vindplaats van de artefacten aan. De pingo rechtsboven was vermoedelijk omvangrijker dan de huidige restanten van de pingoruïne.

Hijken tegenover Mander

Bij Mander werd een grote verspreiding van Midden-Paleolithische artefacten geïnterpreteerd in relatie tot natuurlijke verplaatsing over of vanaf de helling. Bij Hijken was de vondstconcentratie dicht bij elkaar.

Een werktuig dat van een helling door solifluctie wordt meegenomen, kan een heel andere eindpositie krijgen dan een werktuig dat in een relatief stabiele bodem op zijn oorspronkelijke plaats blijft liggen en later door water met sediment wordt afgedekt.

Een archeologische vindplaats kan door eeuwen of millennia van landbouw, erosie en natuurlijke bodemprocessen zijn veranderd. Zeker bij zeer oude vindplaatsen als Hijken is het moeilijk om de oorspronkelijke situatie exact te reconstrueren.

Was er sprake van solifluctie? Werden de werktuigen door water verplaatst? Werden ze snel afgedekt door sediment? Of speelden verschillende andere processen zoals cryoturbatie ook een rol?

Geen eenvoudig antwoord dus

De pingo pingoruïne vlak naast de vindplaats Hijken levert geen bewijs dat de werktuigen uit het Weichselien dateren en evenmin bewijs dat Neanderthalers de pingo zelf hebben benut. Daarvoor ontbreekt het directe bewijs.

Maar de pingoruïne kan wel een belangrijke aanwijzing zijn voor de landschappelijke en bodemkundige geschiedenis van de vindplaats Hijken. Zij laat zien dat het gebied na het ontstaan nog aan ingrijpende veranderingen onderhevig kan zijn geweest.


Bron:

Catalogus Expeditie Vuistbijl: Auteurs: Marc Verhoeven (RAAP), Yannick Raczynski-Henk (haghtanak)en Rob Paulussen (ArcheoPro);van RAAP 2020.

THE VERMANING STONES: SOME FACTS AND ARGUMENTS Auteur: Dick Stapert Biologisch-Archaeologisch Instituut, Groningen, Netherlands.