Nieuws - Uitgelicht

Update: Leefden Neanderthalers tussen pingoheuvels in Noord-Nederland?

Voor zover uit de beschikbare publicaties blijkt, is nooit gericht onderzocht of Noord-Nederlandse pingolocaties samenhangen met midden-paleolithische vondsten. Er bestaat afzonderlijk onderzoek naar pingoruïnes, permafrost en vuurstenen werktuigen, maar betrouwbare vondstlocaties en bevestigde pingoruïnes zijn nog niet systematisch met elkaar vergeleken.

Het onderzoek van Kluiving, Verbers en Thijs naar 45 mogelijke pingoruïnes bespreekt wel de betekenis van deze landschappen voor vroege bewoning, maar toont geen verband met Neanderthalers aan. Het is vooral geoarcheologisch onderzoek naar de structuren en hun opvulling. Bovendien bleken slechts dertig onderzochte locaties aan de gebruikte geologische criteria te voldoen. Een ronde laagte op een hoogtekaart is dus niet genoeg om van een pingoruïne te spreken; daarvoor zijn boringen nodig. Kluiving et al., 2010

De wetenschappelijk correcte conclusie is daarom:

Er is momenteel geen aangetoond verband tussen Noord-Nederlandse pingolocaties en Neanderthalervondsten, maar die relatie is evenmin gericht onderzocht.

Gelijktijdigheid is mogelijk

Het Weichselien duurde ongeveer van 115.000 tot 11.700 jaar geleden en kende afwisselend koude en warmere perioden. Neanderthalers leefden gedurende een groot deel van deze ijstijd in Europa. Ook meer dan 50.000 jaar geleden waren zij aanwezig in het huidige Nederland en het toen droogliggende Noordzeegebied. De bekende Nederlandse Neanderthaler Krijn is daarvan een voorbeeld. Rijksmuseum van Oudheden

De laatste aantoonbare Neanderthalerpopulaties verdwenen in Europa waarschijnlijk ongeveer 41.000 tot 39.000 jaar geleden. Higham et al., 2014

Voor pingovorming is permafrost nodig. In Nederland kwam die niet alleen aan het einde van het Weichselien voor. Geologisch onderzoek wijst op episodische permafrost tijdens het Midden-Pleniglaciaal, ongeveer 55.000 tot 30.000 jaar geleden. Een deel van deze periode overlapt dus met de aanwezigheid van Neanderthalers. Het is daarmee fysisch mogelijk dat sommige pingo’s ontstonden terwijl zij door Noord-Nederland trokken.

Dat betekent echter niet dat iedere huidige pingoruïne in Drenthe toen al bestond. Afzonderlijke structuren moeten daarvoor worden gedateerd.

Dateringen geven geen volledig antwoord

Organisch materiaal uit de opvulling van een pingoruïne kan met de ^14C-methode worden gedateerd. Zo’n datering geeft meestal aan wanneer veen of ander organisch materiaal zich in de ontstane laagte begon op te hopen. De groei van de ijslens en de vorming van de heuvel gingen daaraan vooraf. Een datering van bijvoorbeeld 13.000 jaar uit de onderste veenlaag betekent daarom niet automatisch dat de pingo pas toen begon te ontstaan.

Ook vuurstenen werktuigen kunnen niet rechtstreeks met ^14C worden gedateerd. Ze worden als midden-paleolithisch herkend aan hun vorm en productietechniek, zoals de Levalloistechniek. Voor een betrouwbare ouderdom is een intacte bodemcontext nodig. Het omringende zand kan soms met OSL worden gedateerd, maar bij losse oppervlaktevondsten is dat doorgaans niet mogelijk.

Zelfs wanneer in Drenthe mammoetresten worden gevonden en onderzocht, blijft een nauwkeurige datering problematisch. MIS 4, ongeveer 71.000–57.000 jaar geleden, ligt grotendeels buiten het betrouwbare bereik van conventionele koolstof-14-datering. Bovendien kunnen fossielen uit hun oorspronkelijke aardlaag zijn geërodeerd en later in jongere sedimenten zijn afgezet. Een losse mammoetkies of een bot bewijst daarom niet automatisch dat het dier tijdens MIS 4 in Drenthe leefde. Voor een betrouwbare toewijzing aan MIS 4 zijn een goed bewaarde stratigrafische context en aanvullende dateringsmethoden, zoals elektronenspinresonantie of uraniumreeksdatering, noodzakelijk.

Neanderthalers waren in belangrijke mate afhankelijk van de jacht op grote zoogdieren, waaronder plaatselijk ook mammoeten. Zij waren echter niet overal specifiek van mammoeten afhankelijk; hun prooikeuze verschilde per gebied en periode.

Experimenteel gereconstrueerd mammoethemoglobine bleek minder temperatuurgevoelig te zijn dan het hemoglobine van moderne olifanten. Hierdoor kon het bloed ook bij zeer lage temperaturen efficiënt zuurstof afgeven aan koude lichaamsdelen. Genoomonderzoek heeft daarnaast specifieke mammoetvarianten aangetoond in onder meer het temperatuurgevoelige gen TRPV3. Andere genetische veranderingen hielden verband met beharing, vetopslag, talgklieren en de ontwikkeling van relatief kleine oren. Deze eigenschappen beperkten warmteverlies en hielpen de wolharige mammoet om in een zeer koud klimaat te overleven.

Sommige reconstructies plaatsen de gemiddelde wintertemperaturen binnen delen van het verspreidingsgebied van de wolharige mammoet tussen ongeveer −30 en −50 °C. Deze schattingen hebben echter betrekking op een uitgestrekt geografisch gebied en vormen geen specifieke temperatuurreconstructie voor Drenthe.

Bron: Substituties in het hemoglobine van de wolharige mammoet verlenen biochemische eigenschappen die adaptief zijn voor tolerantie tegen kou.

Waarom pingo’s aantrekkelijk konden zijn

De omgeving van een pingo kon gunstig zijn voor mens en dier. Er konden droge hogere delen, grondwater, smeltwater, natuurlijke vuursteen en routes van trekkende dieren aanwezig zijn. Ook boden hogere plekken uitzicht over het open landschap.

Neanderthalers hoefden daarom niet op de pingo zelf te verblijven. Een kampplaats kon ook langs de flank, op een nabijgelegen rug of bij een vuursteenbron liggen. Een aantrekkelijke ligging is echter nog geen bewijs voor menselijke aanwezigheid.

Neanderthalers tijdens de Weichsel-ijstijd (60.000–44.000 jaar geleden)

Neanderthalers leefden ongeveer 60.000 tot 44.000 jaar geleden tijdens de Weichsel-ijstijd, meer specifiek in de sterk wisselvallige periode MIS 3. In Zuid-Duitsland lag de gemiddelde jaartemperatuur waarschijnlijk rond 0 tot 5 °C, met zeer koude winters en korte, koele zomers. Zij konden in dit klimaat overleven is aangetoond.

Bron: Friedrich-Alexander-Universität Erlangen-Nürnberg – Hoe Neanderthalers zich aan het klimaat aanpasten (2020) en onderzoek van FAU en UNIFE naar werktuigen uit de Sesselfelsgrotte.

🧊 MIS 4: zeer koud circa 71.000–57.000 jaar geleden🌡️ MIS 3: wisselend / relatief milder circa 57.000–29.000 jaar geleden🧊 MIS 2: zeer koud circa 29.000–14.000 jaar geleden.

Tijdens MIS 4 (ca. 71.000–57.000 jaar geleden) konden in Drenthe mogelijk al pingoheuvels ontstaan, omdat er permafrost voorkwam. Hiervoor waren ook voldoende grondwater en waterdruk nodig. Het is echter niet bewezen dat de huidige Drentse pingoruïnes uit MIS 4 stammen; de meeste worden voorlopig nog gekoppeld aan de jongere koudeperiode MIS 2.

In de Catalogus Expeditie Vuistbijl staat hierover: “Pingo’s kunnen daarmee een belangrijke rol hebben gespeeld in het gebruik van het landschap door de neanderthaler, als uitzichtpunt voor wild tijdens de intacte fase, en als drinkwatervoorziening in de ruïnefase.” Bron: Verhoeven, M. (RAAP), Y. Raczynski-Henk (Haghtanak) & R. Paulussen (ArcheoPro), Catalogus Expeditie Vuistbijl, RAAP, 2020.

Dit betreft een aannemelijke hypothese en geen bewezen gebruik.

In Zuid-Duitsland konden grotten, zoals de Sesselfelsgrotte, bescherming bieden tegen wind, neerslag en kou. In Noord-Nederland waren grotten afwezig. Daar zouden Neanderthalers mogelijk andere beschutting hebben gezocht bij hellingen, rivierduinen of pingo’s: heuvels met een bevroren ijskern die in het permafrostlandschap ontstonden. De luwte aan de voet van zo’n pingo kon mogelijk bescherming tegen de wind geven, eventueel aangevuld met eenvoudige hutten, huiden en vuur. Hiervoor bestaat echter nog geen rechtstreeks archeologisch bewijs.

Wat moet worden onderzocht?

De waarneming dat meerdere midden-paleolithische vondstplaatsen mogelijk in de omgeving bij pingo-achtige structuren liggen, vormt een toetsbare onderzoekshypothese. Door op de pagina ‘Kennisbank’ de laag ‘Pingoruïnes’ aan te vinken, kan een eerste ruimtelijke vergelijking worden gemaakt. Aanvullend veldonderzoek blijft echter noodzakelijk.

Daarbij moeten:

  • mogelijke pingoruïnes met boringen worden gecontroleerd;
  • de ondergrond, randwal en sedimentopbouw worden onderzocht;
  • minerale lagen zo mogelijk met OSL worden gedateerd;
  • de oorspronkelijke context van de artefacten worden vastgesteld.

Pas wanneer een midden-paleolithisch artefact in een ongestoorde laag wordt gevonden die samenhangt met een gedateerde ontwikkelingsfase van een pingo, ontstaat overtuigend bewijs voor gelijktijdigheid.

Neanderthalers kunnen dus tussen of nabij pingoheuvels in Noord-Nederland hebben geleefd. Vooralsnog is dat een serieuze mogelijkheid, maar geen aangetoonde historische gebeurtenis.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *