De grot van La Mouthe.

In 1986 kreeg ik de zeldzame kans om de afgesloten grot La Mouthe te bezoeken. Deze grot is niet open voor publiek. Dat bezoek was mogelijk gemaakt dankzij een bewoner in het naast gelegen gehucht La Bassetie. Via hem kwam ik in contact met de boer en eigenaar van de grot La Mouthe.

De geruchten deden de ronde dat hij een uitgesproken afkeer had van beroepsarcheologen die namens het ministerie werkten en als, ongenode gasten regelmatig je grot willen binnenkomen. Er werd zelfs verteld dat, wanneer zij zonder toestemming zijn terrein La Mouthe in privébezit betraden, hij met zijn jachtgeweer hen had verjaagd. Of dat waar was weet ik niet, maar het gaf het bezoek een zekere spanning bij aankomst.

Die spanning bleek ongegrond. Ik werd vriendelijk ontvangen en mocht samen met hem, gewapend met een petroleum lantaarn, de grot betreden. Terwijl we dieper het donker in liepen, zag ik overal de krassen van holenbeerklauwen in de wanden — stille sporen van een ver verleden die diepe indruk op mij maakten.

Toch was dat niet waar ik voor kwam. Mijn hart ging sneller kloppen bij de gedachte aan wat verderop verborgen lag: de beroemde afbeelding van een prehistorische hut. Een zeldzaam beeld, in het zwakke schijnsel van onze lantaarns.

Schildering van de hut in Grotte de la Mouthe. Zoals bij veel prehistorische kunst, is er nog steeds discussie over de interpretatie.

De grot bevindt zich in het gehucht La Mouthe dat ligt ongeveer 1,1 km ten zuiden van het stadje Les Eyzies. In de streek Périgord Noir in het Franse departement Dordogne. De grot bevindt zich aan de voet van de Cingle-rotswand, ten westen van La Mouthe. De ingang is naar het noorden of noordwesten gericht en was generaties lang in bezit van de familie Lapeyre. In 1845 dichtmetselde de eigenaar de ingang en gebruikte de grot als schuur voor zijn wintervoorraden. In 1895, toen zijn zoon de vloer wilde verlagen, ontdekte hij per toeval een verborgen galerij. Na wat kruipen door de ingang van ongeveer 37 cm hoog, kwamen hij en zijn vrienden in een ruimte waar ze rechtop konden staan — en daar vonden ze de eerste gravure: een bizon.

Armand Laborie een vriend van de zoon Lapeyre die ook de grot was ingekropen, liet in 1895 zijn naam achter op de wand met de bizonfiguur.

Ze wisten meteen dat ze iets bijzonders hadden ontdekt en informeerden de wetenschapper Emile Rivière, die in het nabijgelegen Hôtel de la Gare in Cro-Magnon verbleef. Rivière begon al snel een onderzoek en vroeg in juni 1895 subsidie aan bij de Academie van Wetenschappen. Zijn eerste taak was het vrijmaken van de galerij, een klus die maanden duurde. Pas in 1896 kon hij de grot verder onderzoeken, afdrukken maken en foto’s nemen van de indrukwekkende kunstwerken.

La Mouthe werd in 1895 erkend als de eerste grot in de Dordogne met paleolithische versieringen. Dit was een tijd waarin grotkunst nog niet algemeen werd geaccepteerd als authentiek. Rivière bleef echter vasthouden aan zijn bevindingen en verklaarde resoluut: “De gegraveerde en gekleurde tekeningen in de grot van La Mouthe zijn gemaakt in de prehistorie.”

De ontdekking van La Mouthe droeg bij aan de erkenning van andere beroemde grotten met laat-paleolithische rotstekeningen. Zoals de grot van Altamira die in 1879 was ontdekt door Marcelino Sanz de Sautuola. Hij werd zelfs beschuldigd van vervalsing. Pas vijftien jaar na zijn dood erkenden zijn tegenstanders waaronder de prehistoricus Emile Cartailhac dat zij ongelijk hadden. En dat zijn eerdere scepticisme ongegrond was, wat leidde tot zijn beroemde “Mea Culpa van een scepticus”.

Op 29 augustus 1899 werd nabij de ingang van een grot een bijzondere vondst gedaan: een lamp van rode zandsteen, ontdekt in een Magdalenien-haard. Op de onderkant van de lamp was een gravure van een steenbok te zien, met lange hoorns die naar achteren gebogen waren. Het uitgeholde bovenvlak, dat donkerder van kleur was, bevatte een afgezet zwart materiaal. Wetenschappers onderzochten dit materiaal en ontdekten dat het dierlijk vet was, waarschijnlijk gebruikt als brandstof voor de verlichting.

Zandsteen lamp van La Mouthe. Deze vondst dateert uit de periode van het Boven-Paleolithicum, waarschijnlijk het Gravettien of Magdalenien, circa 12.000 tot 11.000 v.Chr.

De onderzoekers

Abbé Breuil bezocht de grot in 1900 en maakte overtrekken van de gravures. Helaas beschadigde hij enkele van de wanden door kleiballen te gebruiken om zijn overtrekpapier vast te zetten. Hij was een Franse katholieke priester, archeoloog, antropoloog, etnoloog en geoloog. Breuil was een begaafd tekenaar die de grottekeningen die hij aantrof getrouw natekende.

De Mouthe-grot, hoewel relatief onbekend bij het grote publiek, heeft de aandacht getrokken van enkele van de grootste namen uit de prehistorische wetenschap. Onderzoekers als Emile Rivière (1895), Abbé Breuil (1900), Henri Breuil (1902) en later Brigitte en Gilles Delluc (1971, 1984) en andere archeologen hebben de grot bestudeerd, wat heeft geleid tot belangrijke inzichten over de prehistorische kunst en het dagelijks leven in de grot.

De datering van de grot wijst erop dat deze bewoond werd van het Mousterien tot het Magdalenien, gebaseerd op de archeologische lagen bij de ingang. De kunstwerken op de wanden zijn waarschijnlijk gemaakt tussen het Gravettien en Magdalenien, zo’n circa 12000-11000 jaar geleden v.Chr. De grot zelf is bereikbaar via een 10 meter brede opening met een gewelfd plafond van drie meter hoog. De galerij, die zich 180 meter naar het noorden uitstrekt, bevat verschillende ruimtes die vol staan met meer dan 200 gravures en schilderingen van bizons, paarden, rendieren, mammoeten en tekens.

Belangrijke kamers in de grot:

  • De Kamer van de Grote Ossen (of Paardenkamer): Hier zijn grote gegraveerde beelden van runderen en een paard te vinden, met enkele rode vlekken die waarschijnlijk door moderne accenten zijn aangebracht. De gravures zijn diep en krachtig, maar tonen geen gedetailleerde lichaamskenmerken van de dieren.
  • De Bisonkamer: Hier zijn 21 gegraveerde dieren zichtbaar, waaronder negen bizons, een edelhert en twee steenbokken. Door het afbrokkelen van de rots zijn sommige gravures onherkenbaar geworden, maar de bizons blijven het meest zichtbaar.
  • De Hutkamer: Deze ruimte, van 4 bij 5 meter, bevat een indrukwekkende gegraveerde en beschilderde figuur die vaak wordt vergeleken met een prehistorische hut. De betekenis van deze figuur blijft echter onduidelijk. Andere symbolen in de kamer omvatten rendieren, een muskusos, een mammoet en verschillende mammoetafbeeldingen.
  • De Kamer van het Gevlekte Rendier: Deze ruimte bevat drie rendieren, waaronder een zonder kop, en enkele andere dieren zoals een mammoet en stierenkoppen. De grote rendieren hebben zwarte vlekken op hun flanken, die waarschijnlijk de vacht van het dier representeren.
  • De Laborie-galerij: In 1958 werd dit onontdekte gedeelte van de grot pas echt onderzocht door Pater A. Glory en een team speleologen. Ze ontdekten drie kleine geschilderde bizons en gegraveerde lijnen, die door de calcietlaag moeilijk te herkennen zijn. Het gebied bevat ook rode stippen en een merkwaardige ovale koepel die door de draaikolk van water in de rots is gevormd. Deze galerij werd in 1971 bestudeerd door B. en G. Delluc.

Châtelperroniaanse punten, uit de grot van Mouthe – Museum van Aquitanië in Bordeau.

Met de ontdekking van de Mouthe-grot en de erkenning van de figuren in de Laborie-galerij in 1958, is de grot een waardevolle schakel geworden in het begrijpen van prehistorische kunst en de menselijke geschiedenis. De kunstwerken in de Mouthe-grot blijven een mysterie, maar ze bieden een unieke blik op de symbolen en rituelen van de vroege bewoners van de Dordogne. Het is geclassificeerd als historisch monument en beschermd sinds 1953. Het staat op de Werelderfgoedlijst van UNESCO, samen met andere prehistorische vindplaatsen en rijkversierde grotten in de Vézère-vallei. In 1990 was de grot nog steeds in privébezit.

Ingang van de La Mouthe-grot

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *