In 1986 kreeg ik de zeldzame kans om de afgesloten grot La Mouthe te bezoeken. Deze grot is niet open voor publiek. Dat bezoek was mogelijk gemaakt dankzij een bewoner in het naast gelegen gehucht La Bassetie. Via hem kwam ik in contact met de boer en eigenaar van de grot La Mouthe.
Die spanning bleek ongegrond. Ik werd vriendelijk ontvangen en mocht samen met hem, gewapend met een petroleum lantaarn, de grot betreden. Terwijl we dieper het donker in liepen, zag ik overal de krassen van holenbeerklauwen in de wanden, stille sporen van een ver verleden die diepe indruk op mij maakten.
Toch was dat niet waar ik voor kwam. Mijn hart ging sneller kloppen bij de gedachte aan wat verderop verborgen lag: de beroemde afbeelding van een prehistorische hut. Een zeldzaam beeld, in het zwakke schijnsel van onze lantaarns.
Schildering van de hut in Grotte de la Mouthe. Zoals bij veel prehistorische kunst, is er nog steeds discussie over de interpretatie.
Armand Laborie een vriend van de zoon Lapeyre die ook de grot was ingekropen, liet in 1895 zijn naam achter op de wand met de bizonfiguur.
Ze wisten meteen dat ze iets bijzonders hadden ontdekt en informeerden de wetenschapper Emile Rivière, die in het nabijgelegen Hôtel de la Gare in Cro-Magnon verbleef. Rivière begon al snel een onderzoek en vroeg in juni 1895 subsidie aan bij de Academie van Wetenschappen. Zijn eerste taak was het vrijmaken van de galerij, een klus die maanden duurde. Pas in 1896 kon hij de grot verder onderzoeken, afdrukken maken en foto’s nemen van de indrukwekkende kunstwerken.
La Mouthe werd in 1895 erkend als de eerste grot in de Dordogne met paleolithische versieringen. Dit was een tijd waarin grotkunst nog niet algemeen werd geaccepteerd als authentiek. Rivière bleef echter vasthouden aan zijn bevindingen en verklaarde resoluut: “De gegraveerde en gekleurde tekeningen in de grot van La Mouthe zijn gemaakt in de prehistorie.”
De ontdekking van La Mouthe droeg bij aan de erkenning van andere beroemde grotten met laat-paleolithische rotstekeningen. Zoals de grot van Altamira die in 1879 was ontdekt door Marcelino Sanz de Sautuola. Hij werd zelfs beschuldigd van vervalsing. Pas vijftien jaar na zijn dood erkenden zijn tegenstanders waaronder de prehistoricus Emile Cartailhac dat zij ongelijk hadden. En dat zijn eerdere scepticisme ongegrond was, wat leidde tot zijn beroemde “Mea Culpa van een scepticus”.
Op 29 augustus 1899 werd nabij de ingang van een grot een bijzondere vondst gedaan: een lamp van rode zandsteen, ontdekt in een Magdalenien-haard. Op de onderkant van de lamp was een gravure van een steenbok te zien, met lange hoorns die naar achteren gebogen waren. Het uitgeholde bovenvlak, dat donkerder van kleur was, bevatte een afgezet zwart materiaal. Wetenschappers onderzochten dit materiaal en ontdekten dat het dierlijk vet was, waarschijnlijk gebruikt als brandstof voor de verlichting.
Zandsteen lamp van La Mouthe. Deze vondst dateert uit de periode van het Boven-Paleolithicum, waarschijnlijk het Gravettien of Magdalenien, circa 12.000 tot 11.000 v.Chr.
De datering van de grot wijst erop dat deze bewoond werd van het Mousterien tot het Magdalenien, gebaseerd op de archeologische lagen bij de ingang. De kunstwerken op de wanden zijn waarschijnlijk gemaakt tussen het Gravettien en Magdalenien, zo’n circa 12000-11000 jaar geleden v.Chr. De grot zelf is bereikbaar via een 10 meter brede opening met een gewelfd plafond van drie meter hoog. De galerij, die zich 180 meter naar het noorden uitstrekt, bevat verschillende ruimtes die vol staan met meer dan 200 gravures en schilderingen van bizons, paarden, rendieren, mammoeten en tekens.
Belangrijke kamers in de grot:
De Kamer van de Grote Ossen (of Paardenkamer): Hier zijn grote gegraveerde beelden van runderen en een paard te vinden, met enkele rode vlekken die waarschijnlijk door moderne accenten zijn aangebracht. De gravures zijn diep en krachtig, maar tonen geen gedetailleerde lichaamskenmerken van de dieren.
De Bisonkamer: Hier zijn 21 gegraveerde dieren zichtbaar, waaronder negen bizons, een edelhert en twee steenbokken. Door het afbrokkelen van de rots zijn sommige gravures onherkenbaar geworden, maar de bizons blijven het meest zichtbaar.
De Hutkamer: Deze ruimte, van 4 bij 5 meter, bevat een indrukwekkende gegraveerde en beschilderde figuur die vaak wordt vergeleken met een prehistorische hut. De betekenis van deze figuur blijft echter onduidelijk. Andere symbolen in de kamer omvatten rendieren, een muskusos, een mammoet en verschillende mammoetafbeeldingen.
De Kamer van het Gevlekte Rendier: Deze ruimte bevat drie rendieren, waaronder een zonder kop, en enkele andere dieren zoals een mammoet en stierenkoppen. De grote rendieren hebben zwarte vlekken op hun flanken, die waarschijnlijk de vacht van het dier representeren.
De Laborie-galerij: In 1958 werd dit onontdekte gedeelte van de grot pas echt onderzocht door Pater A. Glory en een team speleologen. Ze ontdekten drie kleine geschilderde bizons en gegraveerde lijnen, die door de calcietlaag moeilijk te herkennen zijn. Het gebied bevat ook rode stippen en een merkwaardige ovale koepel die door de draaikolk van water in de rots is gevormd. Deze galerij werd in 1971 bestudeerd door B. en G. Delluc.
Châtelperroniaanse punten, uit de grot van Mouthe – Museum van Aquitanië in Bordeau.