Neanderthaler “Vetfabriek”

Alweer een opmerkelijke wetenschappelijke ontdekking die ons beeld van de Neanderthalers verandert.

Uit een studie blijkt dat Neanderthalers, 125.000 jaar geleden een soort ‘vetfabriek’ hebben gehad, die hen mogelijk geholpen heeft om te overleven in een omgeving waar voeding soms schaars was.

De studie, gepubliceerd in Science Advances, uit juli 2025 onthult dat de Neanderthalers een geavanceerde methode ontwikkelden om vet uit dierlijke botten te halen, een techniek die hen beschermde tegen een levensbedreigende aandoening die bekendstaat als eiwitvergiftiging, of “konijnenhonger”. Deze aandoening ontstaat wanneer iemand te veel eiwitten consumeert zonder voldoende vetten of koolhydraten, wat resulteert in een ernstige verstoring van het metabolisme. Aangezien Neanderthalers voornamelijk vlees aten, liepen ze een verhoogd risico op deze aandoening.

Innovatief gebruik van hulpbronnen

Het onderzoek werd uitgevoerd op de archeologische vindplaats Neumark-Nord, gelegen ten zuiden van de stad Halle in Duitsland, waar duizenden botfragmenten en gereedschappen van de Neanderthalers zijn opgegraven. Wetenschappers ontdekten dat de Neanderthalers dieren zoals herten, paarden en runderen bejoegen en de botten van deze dieren verbrijzelden om bij het beenmerg te komen, een eetbaar weefsel dat rijk is aan vet. Vervolgens kookten ze de botten om het vet eruit te halen, dat op de oppervlakte kwam drijven en na afkoeling werd afgekoeld.

Deze ‘vetfabriek’ was een intensieve, strategische activiteit die een aanzienlijke mate van organisatie en planning vereiste. De Neanderthalers moesten grote hoeveelheden botten verzamelen, vervoeren, koken en smelten, wat suggereert dat ze in staat waren om op georganiseerde wijze jachtpartijen te plannen en hun voedselbronnen efficiënt te benutten.

De dreiging van eiwitvergiftiging

De ontdekking is ook belangrijk voor ons begrip van het dieet van de Neanderthalers. Aangezien vlees van dieren zoals herten en paarden weinig vet bevat, zouden Neanderthalers zonder toegang tot andere vetrijke bronnen zoals het vet in botten in gevaar kunnen komen voor eiwitvergiftiging. De onderzoekers schatten dat Neanderthalers maximaal 300 gram eiwit per dag konden consumeren om de aandoening te voorkomen, wat aanzienlijk lager was dan wat ze uit mager vlees haalden.

Het extraheren van vet uit botten bood hen een levensreddende aanvulling op hun dieet, die hun lichamelijke gezondheid en energielevels ondersteunde. Dit is een opmerkelijke ontdekking die de Neanderthalers niet alleen als jagers en verzamelaars, maar ook als slimme overlevers toont.

De ‘vetfabriek’ is opnieuw een verschuiving in ons begrip van de Neanderthaler

Volgens de studie, die werd geleid door dr. Lutz Kindler van het MONREPOS Leibniz Centrum voor Archeologie, blijkt de productie van vet uit botten een proces te zijn dat we voorheen alleen dachten dat het mogelijk was voor moderne mensen in het Laat-Paleolithicum, duizenden jaren na de Neanderthalers. Deze vondst verschuift de tijdlijn van menselijke evolutie en overlevingstechnieken aanzienlijk en bewijst dat Neanderthalers een meer geavanceerd en gevarieerd dieet hadden dan eerder werd gedacht.

“De opvatting dat Neanderthalers ‘dom’ waren, wordt hiermee grondig ontkracht,” zegt Wil Roebroeks, medeauteur van de studie en hoogleraar paleolithische archeologie aan de Universiteit Leiden. “Deze ontdekking bewijst dat ze veel verder waren in hun aanpassingen aan de omgeving dan we tot nu toe dachten.”

De opgravingen op Neumark-Nord hebben aangetoond dat Neanderthalers een completer beeld laat zien van hun complexe sociale en culturele structuren door zelfs op fabrieksmatige schaal te produceerden.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *