De Inspirerende Kracht van de Vuistbijl.

Ongeveer 400.000 jaar geleden verloor een Neanderthaler zijn vuistbijl in de provincie Friesland. Amateurarcheoloog Hein van der Vliet vond die vuistbijl in 1939. Door het aanschouwen van  die beroemde vuistbijl van Wijnjeterp in de oudheidkamer van Gorredijk, krijgt menige archeoloog de inspiratie om zelf op zoek te gaan naar een dergelijk zeldzaam artefact.

Ook die eerste gevonden oude vuistbijl in Noord-Nederland houdt de gemoederen bezig. Dit werd duidelijk toen in 1990 conservator Van der Horst van het Drachtster museum It Bleekerhûs betwistte wie de vinder was van de vuistbijl van Wijnjeterp. Maar zijn moment van aandacht was van korte duur toen Klaas Geertsma in naam van zijn grootvader een kort geding tegen de conservator aanspande. Van der Horst moest zijn bewering intrekken op last van de rechter. 

De ontdekking van de vuistbijl van Wijnjeterp had een enorme historische betekenis, omdat het voor het eerst aantoonde dat er in Noord-Nederland Neanderthalers hadden rondgelopen. Het duurde echter jaren voordat de wetenschap de vuistbijl als zodanig erkende en de vuistbijl van Wijnjeterp bekend werd in archeologische kringen. Op 31 mei 1990 werd de familie van der Vliet onplezierig verrast door een krantenkop op de voorpagina van de Leeuwarder Courant. Zonder enige twijfel werd aangekondigd dat Hein van der Vliet niet de ontdekker van de vuistbijl van Wijnjeterp was. Er waren geen aanhalingstekens of vragen bij geplaatst. Het was altijd als een vaststaand feit beschouwd dat Hein van der Vliet zelf in 1939 de bijzondere steen had opgeraapt op de plek die hij had aangewezen. In mei 1990 echter publiceerde Wouter van der Horst, conservator van het Drachtster museum It Bleekerhûs, een geheel andere versie van de gebeurtenissen. Op basis van getuigenverklaringen en documenten beweerde hij dat vuistbijl van Wijnjeterp in 1945 door twee schooljongens was gevonden en via een tussenpersoon bij Hein van der Vliet terecht was gekomen.


Hein van der Vliet was een gepassioneerde amateurarcheoloog en vond de Neanderthaler vuistbijl in 1939. Hij meldde deze vondst uiteindelijk pas in 1942 aan het publiek, nadat de officiële wetenschap in 1941 had bevestigd dat het om een middel-paleolithische vuistbijl gaat. De bewering door van der Horst, dat van der Vliet niet de vinder zou zijn, kwam volgens van der Horst van een koster genaamd Cor Stigter, in die tijd werkzaam bij het kerkje van Duurswoude. Die vertelde tegen Van der Horst: ‘Weet JOe, dat de vuistbIjl niet door Van der Vliet is gevonden?’ Van der Horst ging dat uitzoeken en schreef er een verhaal over in het tijdschrift de “Neitiid”.  Van der Horst beweerde dat Jaap Bouma toen 14 jaar en zijn schoolvriend Brammetje Kieft 11 jaar samen de vuistbijl van Wijnjeterp hadden gevonden. Volgens het verhaal van één van de jongens ging het om een grijze steenbijl die ze in april 1945 hadden gevonden op weg naar het zwemmen. De jongens verklaarde dat de steen grijs van kleur was: ‘der siet in greep yn’ en ‘hy wie grizich fan kleur’. De echte vuistbijl van Wijnjeterp is geel/rood van kleur en niet grijs. De jongens vertelde dat ze de vuistbijl hebben geruild voor een tabaksbon met de melkboer Andries van der Bos, er sigaretten van hadden gehaald en die hadden gedeeld met de melkboer. De melkboer van den Bos had in 1951 de grijze (bijl), vele jaren in de kast liggen en uiteindelijk aan Hein van der Vliet gegeven. En dat was niet de vuistbijl van Wijnjeterp.


De grijze bijl had een lengte van 20 centimeter zo vertelde de jongens, terwijl de geel/rode vuistbijl van Wijnjeterp slechts 12,5 centimeter lang is. Een situatie schets die Hein van der Vliet had gemaakt was totaal anders dan de locatie waar Wouter van der Horst zich op baseert. Bovendien beweert van der Horst ook dat Tjerk Vermaning kort voor zijn dood met hem heeft gesproken over de omstandigheden waarin van der Vliet zijn vondsten zou hebben gedaan. Of dit werkelijk door Vermaning is gezegd en in welke context hij dit bedoelde, is een raadsel er is geen enkel bewijs voor. Opmerkelijk is ook dat de schooljongens achteraf nooit aanspraak hebben gemaakt op de vondst door van der Vliet. In 1990 hoopte van der Horst met zijn artikel ook op een herziening van het vonnis tegen Vermaning. Alleen is het niet duidelijk waarom dit vonnis herzien moet worden? De vuistbijl van Wijnjeterp speelde weliswaar een belangrijke rol in de rechtszaak tegen Tjerk Vermaning vanwege zijn glans, maar heeft niets met de vondst door Hein van der Vliet van doen. Wouter van der Horst, conservator van het Drachtster museum It Bleekerhûs fantaseerde er 1990 maar wat op los met zijn artikel in tijdschrift “Neitiid”. 


De kranten publiceerde verschillende berichten over de beweringen die Wouter van der Horst had gedaan. Tijdens de rechtszaak die Klaas Geertsma, kleinzoon van Hein van der Vliet, tegen van der Horst na de berichten in de kranten had aangespannen, bleek dat het slechts beweringen waren zonder betrouwbaar bewijs. Van der Horst moest zijn beweringen intrekken, op last van de rechter. Daarna begonnen de kranten te berichten over de foute beweringen door Wouter van der Horst in “Neitiid”. Jan Post, de uitgever van het tijdschrift “Neitiid”, merkte toen een afname in het aantal leden van het tijdschrift. Post wees dit toe aan het artikel door Van der Horst. Na de publicatie over de vuistbijl nam het aantal leden van “Neitiid” dusdanig af dat Jan Post in 1992 besloot om het tijdschrift op te heffen. Ze beschuldigden de Leeuwarder Courant van het beschadigen van “Neitiid” en wezen hen aan als de veroorzaker van de terugloop van het aantal abonnementen. Jan Post diende in 1993 een klacht in bij de Raad van Journalistiek, maar deze werd verworpen in 1994. De Raad zag namelijk geen verband tussen het artikel in de Leeuwarder Courant over de vuistbijl, en de afname van het aantal leden bij “Neitiid”. Het einde van het tijdschrift “Neitiid” werd dus mede toegeschreven aan de negatieve impact door het artikel van Wouter van der Horst en de daaropvolgende berichtgeving in de Leeuwarder Courant.

74 gedachten over “De Inspirerende Kracht van de Vuistbijl.

  1. Historische belangwekkende vondst, absoluut! Maar een paar kanttekeningen, ik ben enigszins in verwarring.

    Jullie schrijven: “Ongeveer 400.000 jaar geleden verloor een Neanderthaler zijn vuistbijl in de provincie Friesland.” en “De ontdekking van de vuistbijl van Wijnjeterp had een enorme historische betekenis, omdat het voor het eerst aantoonde dat er in Noord-Nederland Neanderthalers hadden rondgelopen. ”

    Ok, dus de vuistbijl toont aan dat er Neanderthalers in Noord-Nederland hebben rondgelopen. Mee eens. Ik begrijp 2 zaken niet.

    Ten eerste zou de Neanderthaler de vuistbijl 400.000 jaar geleden hebben achtergelaten/zijn verloren. Dit zou dan de allereerste Neanderthaler moeten zijn, meestal laten we Neanderthalers rond 300.000-250.000 jaar geleden het toneel pas betreden.

    Wat ik helemaal niet begrijp is het volgende. De vuistbijl van Wijnjeterp is een klassiek ‘windlak’ stuk. In de optiek van de APAN/Geertsma zijn windlakkers ‘eenlingen’ waar we eigenlijk niets aan hebben. Ze zijn volgens hem hierheen getransporteerd met het landijs, en achtergebleven na afsmelten van het landijs. Zo zou Peest ook zijn ontstaan, met de aanvulling dat het te Peest ook zou kunnen gaan om artefacten die losgespoeld zijn uit de Formatie van Peelo (zie https://apanarcheo.nl/bijpeest.jpg).

    Als we deze redenatie volgen is de vuistbijl van Wijnjeterp hier helemaal niet achtergelaten door een Neanderthaler, maar is het een ‘driftartefact’ behorende tot het ‘Markkleebergien’. En dan ook nog een eenling! Dus helemaal geen bewijs voor verblijf van Neanderthalers in Noord-Nederland. Eigenlijk best een nietszeggende, onbelangrijke vondst dus.

    Dat geldt dus (de redenatie van de APAN volgend) ook voor de vuistbijl van Zeijen, gevonden door Henk Geertsma. Dit stuk (duidelijk gewindlakt!) zou uit de periode tussen 80.000 en 30.000 BP moeten dateren (zie https://www.apanarcheo.nl/vuistbijl%20zeijen%20henk.jpg). Maar dat kan toch helemaal niet? Het is toch een eenling, een driftartefact uit het Markkleebergien? Eigenlijk dus ook een waardeloze vondst, zonder betekenis.

    Misschien zijn gewindlakte artefacten die door Geertsma en familie zijn gevonden (Wijnjeterp en Zeijen) toch weer anders dan gewindlakte artefacten die door ons e.a. worden opgeraapt?

    Ik ben heel benieuwd naar een sluitende en steekhoudende verklaring!

    1. De discussie over de hyaliet- of windlak-theorie is een onderwerp dat vaak vermeden wordt, maar ik wil hier mijn standpunt toelichten, op veel vondsten van vuursteen, vooral uit de bodem, heb ik gezien dat er een glanslaag ontstaat op de artefacten. Deze chemische glans, ook wel hyaliet genoemd, ontstaat ook na het ontstaan van krassen en beschadigingen aan het oppervlak van de vuursteen. Het is een afzetlaag die zich onder bepaalde bodemcondities vormt, zoals in een vochtige, kalkrijke bodem met cyclicum, een mineraal dat door chemische processen kan afzetten op het oppervlak van de artefacten.

      Het proces wordt waarschijnlijk gekenmerkt door chemische interacties en ionentransport in de bodem, waarbij hyaliet op vuursteen de mineralogische en chemische bewegingen bevordert, vooral in kalrijke bodems. Met ander woorden een artefact die tienduizenden jaren in beweging is op (drift) heeft een grotere kans op hyaliet glans dan een vuursteen artefact die lokaal vast zit in de bodem..

      Wat vooral opvalt, is dat onder deze dunne hyalietlagen vaak krassen en dribbelsporen zichtbaar zijn. Deze sporen kunnen niet eenvoudig worden verklaard door wind of zandstormen, vooral omdat ze onder het glanslaagje alvoorkomen en zelfs zichtbaar blijven onder de microscoop. Dit wijst erop dat de krassen ontstaan zijn voordat de hyalietlaag zich vormde, en dat ze dus ouder zijn dan de glans zelf. Bovendien worden dergelijke sporen ook gevonden op driftartefacten die over grote afstanden zijn getransporteerd.

      Deze bevindingen ondersteunen het idee dat de processen die leiden tot de vorming van hyaliet meer te maken hebben met fysisch-chemische mechanismen die in de bodem plaatsvinden, zoals cyroturbatie (vorst- en dooi-processen), bodemkrimping en de beweging van ijsmassa’s. Tijdens ijstijden en tussenperioden met vorst en dooi, kunnen deze processen krassen en beschadigingen veroorzaken op het oppervlak van vuursteen, nog voordat een glanslaag zich vormt. Vervolgens kan de chemische afzetting van cyclicum en kalk in de bodem het glanslaagje doen ontstaan, dat daarna weer kan bevriezen, uitzetten en ontdooien door temperatuurwisselingen in het klimaat.

      Het is aannemelijker dat de glans op vuursteen ontstaat door deze fysisch-chemische bodemprocessen dan door wind- en zandstormen. Zandstormen kunnen oppervlakkige krassen veroorzaken, maar niet de onderliggende krassen en beschadigingen die onder het hyaliet voorkomen. Als de artefacten op de oppervlakte van het landschap liggen, kunnen wind en zand zeker een rol spelen in het oppervlakkig “glimmen” van het oppervlak. Maar voor de diepere, oudere krassen onder het hyaliet is dat niet waarschijnlijk. Het ontstaan van glans door fysisch-chemische processen in de bodem, onder invloed van klimaat en bodemcondities, lijkt dus een meer logische verklaring.

      Wat betreft de ouderdom van deze artefacten: zonder organisch materiaal is het moeilijk om een exacte datering te geven. Een ouderdom van 40.000 jaar of zelfs 400.000 jaar is op basis van bodemlagen en de aard van de vondsten slechts een gok. De aanwezigheid van glans kan wijzen op zeer oude artefacten, mogelijk honderden duizenden jaren oud, maar dat blijft speculatief zonder verdere bewijzen. Bodemlagen onder de vondsten kunnen ons enigszins een idee geven, maar door menselijke activiteiten zoals ruilverkaveling en akkerbouw is de ouderdom niet altijd betrouwbaar te bepalen.

      De vorm en techniek van de artefacten uit Peest en andere vindplaatsen kunnen enige informatie geven over hun herkomst en ouderdom, maar vaak worden vergelijkingen gemaakt met vondsten uit andere landen. Het is belangrijk te beseffen dat veel van deze vondsten vooral worden gezien als driftstukken, die over grote afstanden zijn getransporteerd door natuurlijke processen zoals ijs en stromingen, en niet per se als bewijzen van een menselijke aanwezigheid op die specifieke locaties. En dat is de glans die dat mede bepaald.

      Kortom, de aanwezigheid van krassen onder het hyaliet wijst eerder op fysisch-chemische en klimatologische processen, zoals vorstwerking en bodemkrimping, dan op wind- of zandstormen. Dit wijst op een complex samenspel van factoren die het ontstaan en het behoud van deze kenmerken beïnvloeden. Niet alle glanspatina’s (windlak) moeten daarom worden beschouwd als bewijs van menselijke activiteit of kampementen; veel kunnen ook drift- en transportverschijnselen zijn.

      Het is dus aannemelijk dat veel van deze artefacten, vooral die met glans, geen directe bewijzen zijn van Neanderthaler-verblijven, maar eerder het resultaat van natuurlijke processen en drift. De ouderdom van deze vondsten blijft moeilijk vast te stellen zonder aanvullend bewijs, maar het feit dat ze een chemische glans vertonen, suggereert dat ze zeer oud kunnen zijn, mogelijk honderden duizenden jaren. Zonder organisch materiaal en met de variabiliteit van bodemlagen en bodemproces, blijft dit echter een schatting.

      De krassen onder het hyaliet en de glans zelf kunnen beter verklaard worden door bodem- en klimatologische processen dan door windwerking. Dit alles benadrukt dat we bij het interpreteren van dergelijke vondsten rekening moeten houden met een complex samenspel van natuurlijke factoren, en dat niet alle glanspatina’s duiden op menselijke activiteit of nederzettingen. Ook de glimmers van Peest zijn daarom mogelijk geen resten van een Neanderthalerkamp maar op drift geraakte concentraties verspreid over de akkers van Peest.

      Doffe artefacten kunnen daarentegen eerder worden beschouwd als artefacten die niet onderhevig waren drift verspieding en daardoor minder beïnvloed zijn door deze factoren in de bodem. Deze doffe artefacten uit het Friese Drentse keileem plateau zijn grotendeels op hun oorspronkelijke locatie door Neanderthalers achter gelaten en hebben minder glans kunnen ontwikkeling. Deze artefacten komen nog eerder in aanmerking als kampement vondsten dan de vondst van Wijnjeterp en Peest, die mogelijk door hun glans veel ouder zijn dan de stukken van Hoogersmilde.

  2. Je hele betoog is een ‘woordsalade’, een vrijwel onleesbare en onbegrijpelijke mix van termen, ongeteste hyptheses, aannames, en ad hoc argumenten. En daarbij ook helemaal relevant voor mijn vragen.

    Ik had een simpele vraag, gebaseerd op de stellingname van APAN/Geertsma (zo noem ik het maar even). Even resumerend.

    In de optiek van de APAN zijn er 2 groepen MP-artefacten:

    1. een groep bestaande uit ‘windlakkers’ (w.o. Peest), en 2. een groep ‘vers’ MP; (waartoe o.a. de Vermaning-vindplaatsen worden gerekend en waartoe ook Schuilenburg zou behoren). Dit zou je als ‘plaatseigen MP’ kunnen benoemen.
    Groep 1 bestaat uit artefacten die ergens in Noord-Duitsland of Denemarken of het Noordzeebekken (?) zijn opgepikt tijdens de Saale-ijstijd. Die zijn vervolgens naar Noord-Nederland getransporteerd en daar tijdens het afsmelten van het landijs achtergebleven. Tijdens het Eemien hebben ze een ‘hyaliet’ bedekking gekregen. In het geval van deze windlakkers moet het dus gaan om artefacten die niet ter plekke zijn achtergelaten voor Neanderthalers: Markkleebergien oid. Zoals ik dus al schreef kunnen de vuistbijlen van Wijnjeterp en Zeijen dus niet in respectievelijk Friesland en Drenthe zijn achtergelaten door Neanderthalers, maar komen ze van elders. NB de vuistbijl van Zeijen kan dus nooit jonger zijn dan zo’n 115.000 jaar (Eemien), terwijl een ouderdom van 80.000-30.000 BP door de APAN wordt gesuggereerd. De APAN spreekt zichzelf dus tegen.

    Overigens is het idee van ‘drfitartefacten’, voor zover ik heb kunnen nagaan, geponeerd door Jan Evert Musch n.a.v. zijn vondst van de vuistbijl van het Eexterveld, ergens eind jaren ’70 of begin jaren ’80. Dit even voor de historische context. Het idee van driftartefacten is overigens helemaal niet gek, maar gaat niet op om meerdere redenen.

    1. de vuurstenen en stenen die door de landijsbedekking in Noord-Nederland zijn achtergelaten vertonen regelmatig zgn. gletsjerkrassen. Bij vuursteen noemen we dit ook wel schramkrassen (in feite een hele serie drukkegels op een rij). Op onze artefacten (niet alleen Peest) zien we met enige regelmaat dit soort transportbeschadigingen. Maar die zitten alleen maar op de natuurlijke vlakken, zoals cortex of andere oude vlakken van voor de bewerking van de vuurstenen door Neanderthalers. Nooit op de bewerkte vlakken zoals de afslagnegatieven en de ventrale zijdes. Ergo, de vuurstenen (en stenen) zijn bewerkt na acherlating door het landijs en moeten dus jonger zijn dan laten we zeggen 150.000 jaar; eerder nog jonger (op z’n vroegst Laat-Saalien of vroeg-Eemien), 130.000-120.000 jaar. We hebben jaren geleden al voorbeelden van die gletsjeskrassen op natuurlijke vlakken gepubliceerd.

    2. het is heel knap van een alles vernietigende gletsjer dat ie 10-tallen zo niet honderden kilometers verderop artefacten oppikt en deze in Peest keurig in concentraties van beperkte omvang neerlegt. En dan ook nog concentraties die zich in typologische en technologische kenmerken onderscheiden. Dus: vuistbijlen vnl. in 1 concentratie en kernen en afslagen in een andere concentratie. En afgezien van het ontbreken van sporen van gletsjertransport, hebben we ook nog refits. Zelfs passende stukken die op een gebied van minder dan 1 m2 liggen. En dan heb ik het nog niet eens over de landschappelijke ligging van MP-vindplaatsen, d.w.z. gerelateerd aan beekdalen (zoals in veel gebieden in Europa). Dus de gletsjer heeft ze ook precies op de goede plekken gedeponeerd! Heel knap.

    3. typologische argumenten zijn er ook. Ten eerste passen de vuistbijlen van Peest (e.a. vindplaatsen in Noord-Nederland, althans de meeste) heel goed in een latere Mousterien-context qua bewerking. Die jongere stukken zijn namelijk doorgaans beter en fijner bewerkt dan oudere stukken. Een andere punt wat ‘drift’ tegenspreekt zijn laat-MP bladspitsen en vroeg-JP bladspitsen. Denk aan de Jerzmanowice-bladspits van de Aardjesberg de bladspits van de Leusderheide enz . Duidelijk zeer late typen (van ver na de landijsbedekking!) met windlak. Ook de bladspits van Venray, typisch Mauern, vertoont windlak en die vindplaats ligt ook nog eens ver buiten het gebied van de landijsbedekking, maar is wel gewindlakt. Een aantal vroeg-JP vondsten uit Doggerland kan ik ook noemen, stukken die tot Gravettien of Aurignacien gerekend moeten worden, maar wel windlak vertonen. Ook in dit geval dateert de windlakvorming van ver na de landijsbedekking en komt het Laat-Pleniglaciaal (zo’’n 25.000 jaar geleden) in aanmerking. De bladspitsen die ik hierboven heb genoemd zijn door de APAN altijd genegeerd want ze passen niet in het beeld.

    In feite is dus de enige manier waarop je kunt aantonen dat een artefact een driftartefact is, is door een overduidelijk artefact in de keileem aan te treffen met sporen van gletsjertransport op de bewerkte vlakken.

    M.b.t. windlak, om daar toch even op terug te komen. Stapert (en wij) hebben nooit gesteld dat windlak het enige is dat het verweerde karakter van de MP-artefacten verklaart. Zelfs Stapert heeft in 1976 al gemeld dat er waarschijnlijk meerdere geologische en fysische processen aan ten grondslag liggen. Is ook niet zo gek aangezien we het over een periode van ten minste 40.000 jaar hebben.

    Verder:
    1. wij hebben meerdere MP-artefacten doorgezaagd en bekeken: geen aanwijzing voor afzetting van hyaliet of wat dan ook. Als je de doorsnedes van vuurstenen van Van Noort bekijkt (hij heeft overigens geen artefacten doorgezaagd, wel natuurlijke vuursteen, waardoor de zeggingskracht voor MP-artefacten nihil is) zie je geen afzetting, terwijl hyaliet duidelijk zichtbaar zou moeten zijn. Hebben we ook gepubliceerd. Fossieltjes in de vuursteen lopen door tot aan het oppervlak, en van afzetting van hyaliet is niets te zien.
    2. Metingen tussen gewindlakte vlakken en niet-gewindlakte vlakken op een en dezelfde vuurstenen laten duidelijk zien dat windlak lager ligt dan niet gewindlakt: er is dus materiaal verdwenen en niet afgezet.
    3. vormen van putjes wijzen ook op een richting van de erosie van het vuursteenoppervlak, geen afzetting van materiaal.

    In dit verband is de opmerking van Klaas op FB heel interessant. ‘Archeologie is een open wetenschap’ (mee eens!); artikelen en boeken zijn voor iedereen beschikbaar (heel goed, mee eens!), maar lees ze dan ook zou ik zeggen.

    Dus nogmaals de vraag (want die heb je niet beantwoord):

    Zijn de gewindlakte artefacten die door Geertsma en familie zijn gevonden (Wijnjeterp en Zeijen) toch weer anders dan gewindlakte artefacten die door ons e.a. worden opgeraapt? Aangevuld met: Waarom is de gewindlakte vuistbijl (het is geen Keilmesser, maar dat ter zijde) van Zeijen te dateren tussen 80.000 en 30.000 BP (‘plaatseigen MP’) en zijn ‘onze’ vuistbijlen driftartefacten van het Markkleebergien (of nog ouder, uit de Peelo)? Die van Zeijen past overigens naadloos in onze groep vuistbijlen ….

    1. De vuistbijl van Zeijen is van het type Keilmesser-Lichtenberg. In mijn beschrijving waar Niekus op doelt staat niet geschreven dat de bijl uit het Micoquien zou stammen. Hij is idd veel ouder. Maar het leuke is dan dat het Keilmessertype-Lichtenberg dus ook al voorkwam in die oudere tijden. Lijkt me toch een aardige aanvulling op de kennis omtrent vuistbijlen. Zie hier voor foto’s van de bijl en mijn uitleg: https://apanarcheo.nl/vuistbijl%20zeijen%20henk.jpg

      1. Je draait. Er staat duidelijk ‘Micoquien 80.000-30.000 BP’. Een simpele vorm overeenkomst van Zeijen met Lichtenberg type houdt niet automatisch in dat het een Keilmesser. Het is een gewone vuistbijl zoals we die hier vaker zien. Maar goed, je staat natuurlijk in je recht om het een Keilmesser te noemen.

        Mijn vragen hadden ook geen betrekking op de artefacttypen, maar op het inconsequente gebruik en datering van windlak, driftartefacten etc.

        1. In Frankrijk noemen ze dit type Biface a dos. En ik heb het nergens over windlak gehad. En ik ga het er ook niet over hebben. Dat is mij een te gladde materie, daar is Niekus beter in thuis. Maar het begint er een beetje op te lijken dat hij bezig is er op uit te glijden. De val zal hard zijn. Maar goed we wachten met smart op de vijf windlak-concentraties die binnenkort aangetoond gaan worden op de akker van Peest. En het gedroomde rendier bot en het stuk mammoet slagtand met menselijke snij sporen is dan de kers op de taart. Maar wat als er niks in die bodem zit wat duidt op concentraties, wat dan? Hoe gaat Niekus het dan uitleggen? Het lijkt er op dat hij er nu al alleen voor staat. Waar blijven De Vries en Stapert. En Roebroeks? Het is best eenzaam soms in het windlak-paleo-land. En de wind komt altijd uit APAN richting.

          1. In brede zin kun je Keilmesser scharen onder het de algemene term Biface a dos, maar het gaat om technologisch zeer specifiek concept. Wij hebben ook meerdere bifaces a dos, maar dat zijn geen Keilmesser. Ook het verspreidingsgebied van beide typen (‘gewone’ Biface a dos vs Keilmesser) verschillen.

            Dat je niet in wil gaan op windlak is prima, ondanks feit dat dit aspect essentieel is voor jullie idee omtrent ‘driftartefacten’ en zowel met Wijnjeterp als Zeijen (beide gewindlakte stukken) rommelen jullie maar wat aan en is een coherent beeld afwezig. Grappig dat je de bal weer terug speelt, jullie zijn er net zelf op uitgegleden!

            Die 3 zekere, zeer waarschijnlijk 4 en mogelijk zelfs 5 concentraties (laatste is nog even de vraag of die reëel is) zijn allang aangetoond, deels in de literatuur en tijdens presentaties.

            Uiteraard heb ik de hoop dat we botten met snijsporen vinden, maar zelfs als het alleen maar zou gaan om pollen of vegetatieresten uit de periode van de bewoning ben ik al zeer tevreden! Hoe groot die kans is, daar zijn we momenteel druk mee bezig om dat uit te zoeken. En zoals gezegd, de concentraties zijn er al, nu is het zaak om de beekdalafzettingen die we langs twee van de concentraties hebben aangetoond met boringen nader uit te pluizen: hoe oud zijn die afzettingen precies (ze zitten onder het dekzand, en vermoedelijk van middenpleniglaciale ouderdom), en wat zit er allemaal in aan micro- en macroresten.

            En maak je niet druk hoor, er zijn allerlei specialisten uit binnen- en buitenland (archeologen, kwartair-geologen, bodemkundigen, botanici, OSL- en TL-specialisten enz) bij het onderzoek betrokken. We hebben een vakkundige klankbordgroep samengesteld. Eenzaam, nee hoor, integendeel!

            En wat de wind betreft, niets meer dan gebakken lucht…

            Je kunt commentaar en ‘kritiek’ blijven leveren Klaas, maar jij en de APAN spelen geen enkele rol in dit onderzoek en niemand van ons is geïnteresseerd in geneuzel. Wij gaan onvermoeibaar door.

          2. Beste Marcel Niekus, je hebt het over Klaas en mij als de APAN. Ik wil graag benadrukken dat de APAN bestaat uit mensen met verschillende visies op archeologie die soms ook botsen. Binnen de APAN groep bestaan diverse meningen, en er is geen sprake van een uniforme, collectieve stem of een machtsstructuur die alle discussies domineert. Dat zouden sommige willen maar dat gaat niet gebeuren. Gelukkig niet. Ook binnen de APAN verschillen de meningen sie soms botsen. Het is niet ongewoon dat meningen binnen de amateurarcheologie sterk kunnen verschillen, wat soms tot levendige discussies leidt. Desalniettemin is de club volwassen genoeg om iedereen de ruimte te bieden voor zijn of haar eigen mening over archeologie. Klaas en ik, Ton, nemen daarom deel aan deze discussies met jou als individuen, niet als vertegenwoordigers van een collectieve gedachte van de APAN leden. Ik mag aannemen dat jij dit ook niet doet namens het Beroepsarcheologencollectief? Ik discussieer op persoonlijke titel, net zoals Klaas en jij dat doet? Dus hou op mij als jullie APAN woordvoerder aan te spreken.

          3. Ik zie liever de resten van de menssoort, het liefst met huid en haar en botmateriaal van de menssoort. Op het artefact. Ik vind het daar op die plek wel wat weg hebben van een strandsuppletiestrand concentratie van meerdere perioden..het komt allemaal op die ene plek terecht..Het lijkt een gelijktijdigheid, maar is het zo? Ik vermoed zelfs dat een gelijktijdige concentratie zowel lakkers als niet lakkers kan bevatten. Dat stukken op elkaar passen, dat zie ik wel meer, dat kan ook oudtijds zijn gebeurd. Op tijdstippen van 1000 jaar ertussenin. Dat het van elders kwam en niet een in situ behoeft te zijn of behorend bij andere stukken die nu daar worden gevonden en erg opelkaar lijken qua kleur of lak, bewerking of type..Het hoeft geen gelijktijdigheid te zijn. Het is wel goed dat Marcel Niekus verder zoekt..( oprecht complimenten )Het liefst zou ik het zien dat dat hele veld wordt opgegraven en dan meters diep! Elke steen bekijken..Ik kan daar best respect voor hebben! Maar doe het dan ook overal, Eenster, Hoogersmilde etc, etc, dan is er definitief rust..Geef het een kans! Zo’n groot veld opgraven in totaal is ook leuk voor vogelspotters, na zo’n opgraving zie je welke pioniersvogels als eerste terugkomen..hoe de natuur weer bezit neemt op zo’n gebied. Lekker doorfreaken met onderzoek en opgraving, goed bezig!

  3. Na een aantal reacties op mijn eerste bericht heb ik nog steeds geen direct en duidelijk antwoord op mijn vraag over de vuistbijl van Wijnjeterp gekregen.

    Reactie van Ton: lap tekst met veel woorden als ‘mogelijk’.
    Reactie van Klaas: ad hoc argument dat het ‘Keilmesser’ toch ouder is (dus blijkbaar toch aangevoerd met landijs), ondanks de datering die er op wordt geplakt van 80.000 -30.000 BP.

    Nu graag concreet over de (gewindlakte) vuistbijl van Wijnjeterp:

    Is de vuistbijl een driftartefact aangevoerd door het landijs, en dus geen argument voor Neanderthaler-aanwezigheid te Wijnjeterp of is de vuistbijl ter plaatse achtergelaten door de ‘Friese’ Neanderthaler. Een zeer eenvoudige vraag die makkelijk te beantwoorden moet zijn, vooral gezien het standpunt van de APAN over windlak.

    En graag geen reacties in de trant van ‘kan wel, hoeft niet’, want de driftartefacten i.c.m. hyaliet-hypothese laten geen nuances toe.

    1. Beetje een raar begin, maar dit moet gewoon even. Onderstaande tekst heb ik geplukt van de Deense Facebookpagina ‘Arkaeologiske nyheder – Fund og Fortid’. Vertaald: Archeologisch nieuws – Vondsten en verleden. Het gaat over de vuistbijl van Wijnjeterp. Hier de tekst:
      ‘Håndkile af den specielle ‘Bout Coupé’-type – læg mærke til formen og hvor skinnende/glinsende dette stykke er. I Nederlandene kalder man det meget træffende ‘windlak’ Dateres til tidsrummet 60.000-40.000 år før nu. Fundet ved Wijnjeterp i den nordlige del af Nederlandene. Foto: Frans de Vries’.
      Vertaald: ‘Vuistbijl van het speciale type Bout Coupé – let op de vorm en hoe glanzend/glitterend dit stuk is. In Nederland noemen ze het heel toepasselijk ‘windlak’. Gedateerd in de periode 60.000-40.000 jaar voor heden. Gevonden bij Wijnjeterp in Noord-Nederland’. Hij geeft de Denen vervolgens de raad om op hun keizandvelden te gaan zoeken naar vergelijkbare artefacten met windlak.
      Deze determinatie is lijnrecht in tegenstelling tot die Niekus eerder gaf tijdens zijn optreden in de video van Omrop Fryslan over deze beroemde vuistbijl. Daarin verklaarde hij dat de vuistbijl ouder was dan 100.000 jaar. De verslaggever is daar verbaasd over en herhaalt het met de vraag: ‘Meer dan 100.000 jaar? Niekus geeft vervolgens een beschrijving van het toenmalige paleo-klimaat en dat de bijl moest gesitueerd moest worden in een warme periode en hij onderstreept dat met een illustratie van een aantal schaars geklede lieden die lekker in het zonnetje aan de oever van een rivier zitten en hun dagelijkse ding doen. Daaraan voegt hij nog de opmerking toe dat het een warme tussenijstijd, en dat er nijlpaarden in de buurt rondzwommen. Let wel, zijn woorden zijn vastgelegd in de video ‘Op zoek naar de Oerfries’. Te zien in deze link, het interview met hem begint bij begin 3.39: https://www.youtube.com/watch?v=D72KQe86edk&ab_channel=OmropFrysl%C3%A2n
      Het kan natuurlijk niet zo zijn dat de vuistbijl van Wijnjeterp twee verschillende dateringen heeft en afkomstig zou zijn uit twee verschillende klimaten. De vraag is dan waarom Niekus de Denen een antidatering voorschotelt? Die datering lijkt gerelateerd aan zijn determinatie van de Wijnjeterper als ‘Bout Coupé’, dat type behoort inderdaad binnen de periode van 60.000 tot 40.000 voor heden. Opgemerkt moet dan wel worden dat nog nooit eerder iemand deze vuistbijl als een Bout Coupé heeft gedetermineerd. Niekus bezigde die benaming ook niet tijdens zijn optreden in de video van Omrop Fyslân. Daar benoemt hij het als ‘multifunctioneel artefact’, bruikbaar voor vlees snijden, maar ook voor het bewerken van hout.
      Meermaals heeft Niekus in discussies hier en elders mij ‘gedetermineerd’ als een soort fantast die willens en wetens zijn gelijk wil hebben. Dat is leuk en daar zit ik niet mee, ik weet wie het zegt: De archeoloog die blijkbaar berekenend te werk gaat en verschillende ‘waarheden’ verkondigt al naar gelang het podium en de luisteraars. Omrop Fyslân gaat ervan uit dat hij die waarheid voor hun camera heeft verkondigd. Ik doe dat ook. Hoeveel Friezen het gezien hebben is niet bekend, maar het zullen er velen geweest zijn. Hoeveel Denen hij bewust een foute determinatie voorspiegelde is ook niet bekend, maar de Deense Facebookpagina heeft wel meer dan vijfendertigduizend leden. Niekus zal onder deze post van mij ongetwijfeld een leuk weerwoord geven, want hij weet vast en zeker dat het deleten van zijn foute determinatie op die pagina geen zin heeft. Hij zal weten dat ik al zijn plaatjes heb gefotografeerd en de teksten heb gekopieerd . En wat een Bout Coupé precies is dat kan Google wel uitleggen met plaatjes.

    2. Vraag, is er een techniek op dit moment, waarbij je met boringen nog dna materiaal kunt veiligstellen van mensensoorten? Je gaat boren je checkt.. je gaat opgraven en op die plek waar de vuistbijl of ander artefact wordt gevonden was dat dna menssoort uit boring aanwezig op die positie.. kan dat nu al?

      1. In de context van het Fries-Drenths keileem plateau is geen organisch materiaal gevonden in bodem lagen in de context de MP artefacten voor zover ik weet. Daarom geef ik Niekus weinig kans om met Peest pollen of DNA samples te verzamelen die verband houden met de MP artefacten. Er zitten waarschijnlijk geen cultuurlagen opeen in de bodem van Peest. Ja de oppervlakte vondsten wel. Die zijn daar verspoeld op drift geraakt en op Peest terecht gekomen. En wie weet waar vandaan door gletsjers in de ijstijd. Of zoals Govert het noemt, op drift geraakte artefacten. Hierdoor mogelijk later gepolijst geraakt, hyaliet of windlak en dat was ook mogelijk pas na het afsmelten van het ijs op Peest. Komen ze dan uit het originele keizand op locatie Peest is nog maar de vraag? Na het verplaatsen door een gletsjer zijn ze later wel in de bodem gekomen en heeft het diepploegen ze weer naar boven gehaald. Dat verklaard niet dat peest waarschijnlijk een neanderthaler verblijfplaats van oorsprong was. Dan vind ik de vers ogende MP artefacten van Vermaning aannemelijker die uit de keizand bodem komen om in aanmerking te komen voor een verblijfplaats van neanderthalers. Als we deze hypothese in beschouwing nemen dan is de kans groter dat in de bodem van de Vermaning MP vindplaatsen organisch materiaal kan liggen. Maar die vindplaatsen zijn besmet wil men daar onderzoek naar te doen.

  4. Wat weer een boel onzin Klaas. Lezen, begrijpen en interpreteren is blijkbaar lastig voor je.

    De tekst op die FB-pagina heb ik niet geschreven, maar Jorgen Holm, een Deens Paleo-archeoloog. Hij heeft foto’s van Frans gebruikt en er zelf een verhaal bij geschreven. Ik onderschrijf de determinatie als bout coupé en de datering ook in het geheel niet. Jorgen is daar zelf de mist mee ingegaan. Jammer, maar voor zijn verhaal en project op dit moment ook niet heel relevant. Deleten hoef ik niet te doen, het is niet mijn post.

    Ik ga overigens naar Denemarken dit najaar of begin 2026 om samen met hem en zijn groep vrijwilligers onderzoek te doen naar potentiële Neanderthaler-vindplaatsen en om een serie lezingen te geven over ons onderzoek.

    Zoals je her en der hebt kunnen lezen en horen plaats ik de vuistbijl van Wijnjeterp in in het vroegere deel van het Weichselien of (m.i. waarschijnlijker) het Eemien. Net als de vuistbijl van Oldeholtwolde passen beide exemplaren prima in die vroegere periode van de bewoning op het Fries-Drentse keileemplateau.

    Dus voordat je mij beschuldigd van ‘berekend te werk gaan’ en dat ik verschillende ‘waarheden’ zou verkondigen, en Denen ‘bewust foute info zou voorspiegelen’, had je mij ff moeten vragen of voor mijn part Jorgen zelf. Dan had ik of hij je kunnen uitleggen hoe de vork in de steel zit. Dan had je jezelf een afgang kunnen besparen.

    Laat onverlet dat jij noch Ton antwoord hebben gegeven op een zeer eenvoudige vraag! Is de vuistbijl van Wijnjeterp een oud driftartefact, of is het ter plaatse achtergelaten door een Neanderthaler na het afsmelten van de ijskap (d.w.z. evt Laat-Saalien (na afsmelten ijskap), Eemien of Vroeg-Weichselien).

    1. En nog een kleine nabrander. Je bent inderdaad een fantast, want je schrijft teksten toe aan de verkeerde personen en verbind daar allerlei kwalificaties aan.

        1. Nee hoor, is al lang uit mijn systeem. En nog vind je het raar dat we je niet hebben uitgenodigd om te komen kijken naar onze vondsten … gaat ook niet gebeuren.

          1. Niet meer in zijn systeem? Dat is dan mooi, maar excuses heb ik nooit van hem ontvangen. Zie onder deze post wat hij beweerde over dat ik Martin Vorst zou zijn. Hij had dit zelf verspreid op het internet. En het lijkt er op dat hij mij nog steeds ziet als een kwade genius, of als zijn persoonlijke vijand. Maar ik heb geen vijanden. Wel kom ik in verweer wanneer er beweerd wordt dat Schuilenburg bestaat uit pseudo’s, naturolieten en mijn fantasie. Dat is mijn recht, ik laat mij en mijn broer niet weg zetten als de eerste de beste archeo-digibeten. De ontkenning van Schuilenburg moet gestopt worden. Maar ik begrijp dat hij niet meer met mij aan 1 tafel wenst te zitten, dat is jammer want ik had ook graag mijn visies betreffende een aantal beroemde venusfiguurtjes met hem willen bespreken, zoals bv van de venus van Renancourt, want er is meer dan alleen maar artefacten. Zie hier mijn visie op die venus: https://www.apanarcheo.nl/renancourt%20venus%20eindversie.pdf

            https://www.apanarcheo.nl/VALSHEID%20IN%20GESTEENTE%20ALS%20GEVAAR%20VOOR%20DE%20GEESTELIJKE%20GEZONDHEID.pdf

          2. Graag wil ik even stilstaan bij de recente uitwisseling (Vorst). Het is begrijpelijk dat discussies soms emotioneel kunnen worden, maar ik wil benadrukken dat persoonlijke verwijten de sfeer op dit forum niet ten goede komen. Zulke bijdragen kunnen anderen mogelijk weerhouden van deelname, terwijl dit forum bedoeld is om inhoudelijk te reageren op de blogonderwerpen.

            Als policy blijft ik erbij dat persoonlijke aanvallen en verwijten niet worden verwijderd, omdat we openheid en vrijheid van meningsuiting willen behouden. Echter, ik wil er op wijzen dat zulke uitwisselingen vaak niet leiden tot inhoudelijke discussies en dat ze het gesprek eerder verstoren dan verrijken.

            Laten we ons weer richten op het heden en inhoudelijke discussies.

    2. Wel lachen dan.
      Maar afgang valt wel mee hoor.
      Maar misschien is het wel even slim dat je er commentaar op gaat geven, van hoe het in jouw optiek werkelijk zit met de vuistbijl van Wijnjeterp.
      Voor de rest is het wachten op de drie of vijf concentraties op de akker van Peest.
      Het Windlakparadijs.

      1. Nou dat is lachen … Nou, als je gelijk met allerlei waardeoordelen komt zonder even na te vragen hoe e.e.a. in elkaar steekt vind ik dat wel een afgang.

        Voor Jorgen zijn verhaal en zijn project zijn dit soort kleine correcties niet van heel groot belang, zeker niet op een FB-post. T.z.t. zal ik de vuistbijl zeker meenemen in mijn verhaal voor de Deense collega’s, dan uiteraard met de correcte typologische aanduiding en (meest waarschijnlijke) datering.

        Die concentraties zijn er al, inclusief een hele serie refits en andere spannende vondsten en waarnemingen. Zul je t.z.t. wel over lezen of horen.

        Jammer voor jullie is wel dat ik na onze eerste opgraving het idee heb geopperd aan de medeonderzoekers om jullie als APAN-bestuur een keer uit te nodigen om het materiaal te bekijken. Maar toen ik die stap bijna wilde nemen, stond er weer zo’n scheldstukje van jou op internet en toen dacht ik, weet je wat, laat maar zitten.

    3. Verspoelde artefacten als driftartefacten. Kunnen door geologische fysische processen toch überhaupt door grote afstanden van verplaatsing worden gekenmerkt? Overigens leuk dat je de keileembodems van Denemarken onder de loep wilt nemen; dat zou zelfs een mogelijkheid kunnen openen dat Peest vanuit dat land naar onze kant is gekomen. Gletsjers verplaatsen zich in één richting, en alles dat daarin bevindt blijft mogelijk relatief bij elkaar, wat kan verklaren dat de 3 of 5 kampementen niets anders zijn dan verspoelde artefacten door gletsjerstromen die vanuit Noord-Nederland zijn verspoeld naar Drenthe. Maar laten we daarin Denemarken als mogelijkheid niet uitsluiten. Dan nog, als volgens jou Jorgen Holm, een Deens Paleoarcheoloog het verkeerd heeft. Waarom wijs je die man dan niet op zijn volgens jou verkeerde redenering? Ik ben dan ook wel weer benieuwd wat hij daarop te zeggen heeft. Maar dat doe je dan ook weer niet.

  5. Ik heb in reactie op Klaas al aangegeven dat ik geen dwingende noodzaak zie om hem op zo’n foutief detail te wijzen. Ik ben geen FB-politie. En als ik overal commentaar op zou moeten geven, dan heb ik daar een dagtaak aan. Heb wel wat beters te doen. Je geeft met je opmerkingen duidelijk aan, net als Klaas, dat je twijfels hebt bij mijn uitleg. Als je benieuwd bent wat hij daarop heeft te zeggen, vraag hem dan zelf?

    Denemarken is in die zin problematisch/lastig omdat de vraag is of Neanderthalers wel zo ver noordelijk zijn geweest; dat heeft met ecologische tolerantie van Neanderthaler-groepen te maken. Dat kun je dus alleen maar uitvinden door gerichte veldverkenningen te doen waar ik een bijdrage aan ga leveren.

    Gletsjers glijden niet rustig in 1x naar een bepaald gebied toe, dat gaat in fasen en met horten en stoten. Alles in hun pad omwerkend, voor zich uitduwend enz. En zoals ik al eerder schreef zijn er talloze argumenten aan te halen waarom Peest niet bestaat uit driftartefacten, die heb keurig voor je op een rij gezet. Maar, zoals gewoonlijk gaan jullie (als APAN) daar nooit op in. Vind je het nou werkelijk geloofwaardig dat verschillende vuursteenconcentraties In Denemarken (of Noord-Duitsland) zonder gletsjerbeschadigingen en met de refits die er naast liggen over honderden kilometers worden verplaatst en keurig langs een beekdal in Drenthe worden gedeponeerd? En ik laat de typologische kenmerken van Peest (maar ook de laat-MP en vroeg-JP-bladspitsen) dan nog even buiten beschouwing.

    Maar vertel (jullie draaien allebei om de hete brij heen), komt de vuistbijl van Wijnjeterp dan mogelijk toch uit Denemarken?

    1. Ik begrijp waar je op doelt en de discussie een ander kant op wil draaien, jou steencomposities met stukken van Peest die in elkaar passen. Maar die zijn ook met horten en stoten verspreid over Peest gevonden, en waarschijnlijk nog wel meer in de toekomst. Ik praat ik niet namens de APAN of Klaas, en ja, ook Wijnjeterp kan volgens mij een drift zijn.Waar het hier uiteindelijk omgaat is de vraag of glimmers de authenticiteit bieden van een neanderthaler kamp, waar ik persoonlijk niet van overtuigd ben geraakt. Dat de lokaal achtergebleven vondsten relatief dof blijven in keizandbodems op locatie vindt ik aannemelijker. Omdat die uit het verweerde keizand komen met beschadigingen afgeronde ribben druk kegels etc.. doordat ze sterk verkneed in de bodem amper glans konden krijgen. Laten we het maar gemakhalve windlak noemen omdat niet kon ontstaan in de bodem, terwijl de drift stukken in een gunstige omstandigheid kwamen om vol op gepolijst te raken.

      1. Ik wilde de discussie helemaal geen andere kant op draaien. Ik ben begonnen met een eenvoudige vraag n.a.v. jullie stuk over de vuistbijl van Wijnjeterp, en dat leidde alleen maar tot vele zijpaden.

        En wat de steencomposities betreft (naast alle andere argumenten), hoe kom je er bij dat die met horten en stoten verspreid over Peest zijn aangetroffen? We hebben als voorbeeld drie stukken over een gebied van 0,5 bij 0,5 meter aangetroffen die aan elkaar passen, en stukken die binnen een aantal meter van elkaar lagen en perfect passen: zowel ventrale-dorsale refits, als oudtijds gebroken klingen, en aanscherpingsafslagen die op vuistbijlen passen …. En dat allemaal in 1 concentratie. Binnen twee andere concentraties hebben we ook meerdere refits waarvan sommige dichtbij elkaar liggen. En dan gaat het om oppervlaktevondsten.

        En kijk, zo komen we ergens wat Wijnjeterp betreft. Dit is een eerlijkheid die ik op prijs kan stellen. En zelfs als je had gezegd, ik weet het niet … ook goed. Nuancering en twijfel zijn prima, daar heb ik geen enkel probleem mee. Gebeurt juist te weinig naar mijn idee.

        Ook je mening over Peest heb ik geen probleem mee. Valt nog wel e.e.a. op af te dingen. Vuurstenen uit keizand (verweringsresidue van keileem) kenmerken zich o.m. door een hogere graad van verwering, w.o. windlak, dan die uit keileem. Dit keizand heeft ook vol aan de barre tijden van het Laat-Pleniglaciaal bloot gestaan, vandaar de windlak, sec. vorstsplijting enz. Je gaat overigens wel weer voorbij aan het feit (laten we Peest even buiten beschouwing) dat er een behoorlijk aantal vondsten in Nederland is gedaan dat uit het latere MP of zelfs het vroeg-JP dateert (dus ver na de Saale-ijsbedekking) en duidelijk gewindlakt is. Heeft niets met drift te maken …

        1. Als we zoeken naar mogelijke archeologische vindplaatsen op een potentieel akkertje in Zuid-Frankrijk of Spanje, zullen we waarschijnlijk meer vondsten aantreffen dan op een Nederlandse akker, zoals in Drenthe. De vondsten uit Zuid-Frankrijk worden vaak als vergelijkingsmateriaal gebruikt. Echter, deze vergelijking is niet helemaal nauwkeurig, omdat het landschap en de omstandigheden in noord-Nederland heel anders zijn door de veranderingen in de loop der tijd. Vondsten in Drenthe worden beïnvloed door verschillende factoren. Bijvoorbeeld door ruilverkaveling, verzuring van de bodem om overtollig mest in het verleden te verwerken in de bodem, diep ploegen, enzovoort. Men dacht vroeger dat door tot en door het keileemlaagje te ploegen en daar mest bij te gebruiken, de bodem vruchtbaar bleef. Al deze processen hebben de oorspronkelijke vindplaatslocaties zodanig verstoord dat het moeilijk is om op basis van bodemanalyses nog nauwkeurige datums vast te stellen van vondsten.

          Organisch materiaal dat bij de vondsten wordt aangetroffen, kan waardevol zijn maar is op en bij de Mp vindplaatsen Drenthe niet gevonden. Ik ben enthousiast over de mogelijkheid dat in Peest een mammoet bot of soortgelijke organische rest gevonden kan worden. Dit zou kunnen wijzen op lokale activiteiten of werkzaamheden uit die periode. Maar dat is er momenteel niet.

          In deze context is er enkel zicht op mp glimmers en doffe stukken en hun kenmerken uit het gebied, en dat maakt de huidige archeologische vondsten uit het Noord-Nederlandse keizand en of (keileem) tot eindeloze discussies waar zonder organische resten geen enkel bewijs van ouderdom van de mp- werktuigen er ooit zal komen. En dat is momenteel het enige feitelijk bewijs waar de meningen in verschillen.

          1. Ah, van Denemarken naar Frankrijk en Spanje. We migreren wel van hot naar her 🙂

            Natuurlijk zullen we daar uiteindelijk meer vinden. De bewoning is daar veel dichter geweest, en met minder hiaten tgv klimaatschommelingen. We zitten bij ons langs de rand van het verspreidingsgebied van de Neanderthaler, met een eigen specifieke bodemarchief en een eigen problematiek.

            Vergelijken doen we niet alleen met Frans materiaal, maar ook met vondsten en vindplaatsen uit andere landen. Dat is normaal bij onderzoek. En heel veel vergelijkingsmateriaal hebben we in eigen land nu ook weer niet. Een van de vraagstellingen die ik voor mijn eigen onderzoek heb geformuleerd, is wat de typo-technologische kenmerken zijn van het MP in (Noord-)Nederland, in vergelijking vindplaatsen elders.

            Je bent wel heel snel met je oordeel over verstoring van vindplaatsen en onmogelijkheden voor datering. Heb je daar zelf onderzoek naar gedaan Ton? Of is dit meer een soort wishful thinking? Laat nu net ons onderzoek aantonen dat er meerdere vindplaatsen zijn die relatief intact zijn (w.o. delen van Peest, maar ook andere locaties), en dat er in een aantal gevallen wel degelijk mogelijkheden voor ouderdomsbepalingen zijn. Is het makkelijk, nee zeker niet. We hebben geen grotten met stratigrafieen met botmateriaal e.d. Een van de problemen die wij in 2016 al hebben gepubliceerd in een overzichtsartikel in Quaternary International.

            Er zijn in Drenthe wel pleistocene botten gevonden, maar niet in associatie met archeologisch materiaal. Wat Peest betreft zullen we moeten afwachten, wellicht valt het tegen, wellicht valt het mee. Zoals ik al eerder schreef ben ik al zeer content met houtskool, pollen en in situ artefacten op een aantal locaties. Niet geschoten is altijd mis.

            En wat ik al schreef, er zijn meerdere mogelijkheden om artefacten of de lagen waarin artefacten voorkomen te dateren (o.m. OSL, TL). Zelfs zonder datering valt er nog een boel info uit de artefacten te halen hoor. Op landschappelijk niveau valt in elk geval e.e.a. te zeggen over grove patronen in landgebruik van Neanderthalers.

            Kortom, zeker geen ideaal gebied om in te werken (ik zou graag een groot stuk Doggerland blootleggen), maar wel een uitdaging en dat maakt het weer leuk.

  6. Ik reageer op de bijdrage van Ton over APAN, want ik kan blijkbaar niet op die post reageren. Ik post inderdaad als individu en niet als vertegenwoordiger van de beroepsgroep.

    De reden dat ik jullie als APAN aanspreek is omdat de driftartefacten / windlak hypothese al jaren wordt ‘verkocht’ als APAN-gedachtengoed. Hoe vaak ik niet heb gelezen ‘De APAN is van mening dat …’, ‘Volgens de APAN zus en zo …’. Niet zo gek dat ik dan de APAN aanspreek. Schrijf dan ‘Van Noort en Geertsma van de APAN zijn van mening dat …’ o.i.d.

    Maar laat mij jou dan als individu vragen, als Ton de admin/moderator, wat jouw mening is over de vuistbijl van Wijnjeterp. Van Klaas hoef ik blijkbaar geen inhoudelijke repliek te verwachten.

    1. Ik ben lid van de APAN, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik soms niet helemaal eens ben met hoe er in de ledenvergadering agenda over de benadering van amateurarcheologie naar beroeps wordt gedacht. Het lijkt er soms op dat men vastzit in eigen meningen en politieke benadering, alsof iedereen achter zijn eigen standpunt staat en dit collectief wil opdringen waardoor het botst.

      Jij en ik zijn niet van porselein en kunnen beide wel een stootje hebben. Anders waren we beide al afgehaakt op dit forum. Ik weet ook niet alles over steentijd archeologie, en dat is oké lijkt me. Wat ik vooral jammer vind, is dat er nog steeds gedachten bestaan over ‘wij’ en ‘zij’. Die verdeeldheid is uit een andere oude zuilen tijd, en gelukkig zien we dat die oude zuilen verdwijnen en dat is ook weer een positieve ontwikkeling als gevolg van het verdrag van Malta maar blijkbaar nog niet perfect is ontwikkeld. Welke mening wil je graag van me horen over de vuistbijl van Wijnjeterp? Die gaf ik al enigszins aan, Gletsjer- drift en waarschijnlijk ouder dan 100.000 jaar.

      1. Een oprechte reactie Ton, dat stel ik zeer op prijs! En dat jij (en ik) tegen een stootje kunnen, dat was mij ook al duidelijk. Ik weet ook lang niet alles over archeologie, daarvoor doe ik juist onderzoek en als ik iets niet weet zal ik dat ook zeggen.

        Ik werk samen met heel veel vrijwillige/amateur archeologen (in Drenthe, Doggerland, etc) en ik merk bijzonder weinig, eigenlijk niets, van een ‘wij’ en een ‘zij’. Veel amateurs (zeker die van Doggerland) zijn niet geïnteresseerd in Vermaning en veel hebben er niet eens van gehoord. Ook onder onze Drentse zoekers leeft dit hele gebeuren niet meer. Zelfs tijdens de vele lezingen die ik per jaar jaar geef komen nauwelijks reacties als Tjerk ter sprake komt.

        Het idee dat er een kloof bestaat is niet reëel, de enige kloof die er is, is de kloof die is geschapen tussen een aantal leden van het bestuur van de APAN (en wellicht een aantal gewone leden) en ons. In dit verband moet ik toch even kwijt dat het vooral het felle, vaak beledigende en spottende, niet constructieve gedrag van Klaas (ongetwijfeld leest hij mee, geen probleem) is dat veel mensen er van weerhoud om met hem in discussie te gaan. Je kunt het prima met elkaar oneens zijn, en felle discussies voeren, maar wat iemand wil accepteren aan persoonlijke aanvallen is niet oneindig. En ik kan je zeggen, dat helpt de club niet.

        Maar goed, genoeg daarover. Ik moet nog een paragraafje schrijven voor een nieuw artikel over MP en dat wil ik vanavond nog even afronden.

  7. Als we het over excuses aanbieden hebben, zou ik zeggen: begin zelf maar met schrijven. Paar dagen geleden nog opmerkingen dat ik de boel zou besodemieteren met het stuk van Holm dat ik geschreven zou hebben. En jaren geleden al de suggestie dat wij Peest uitgestrooid zouden hebben. Maar 2 kleine voorbeeldjes.

    Wat Schuilenburg betreft. Dat jij overtuigd bent dat het artefacten zijn is je goed recht. Waarom je dan bevestiging zoekt bij anderen is mij geheel onduidelijk. Een negatieve waardering van de locatie accepteer je toch niet.

    Als het zo’n belangrijke vindplaats is, publiceer het dan met uitgebreide typo-technologische beschrijvingen, maten, grafieken, foto’s en tekeningen ipv een paar vage foto’s met plastic bakjes gevuld met vuursteentjes. Daar heeft niemand iets aan. Je hebt jaren de tijd gehad, maar een fatsoenlijke analyse heb ik nergens gezien.

    Je kunt daarnaast een groep Paleolithisch archeologen vragen om er gezamenlijk naar te kijken en hun vragen om een oordeel te geven. Bang voor de uitkomst?

  8. Naar aanleiding van de discussies op dit forum, eerst over Schuilenburg en als laatste over de vuistbijl van Wijnjeterp, ben ik eens bij mijzelf te rade gegaan en vraag ik mij af wat ik hier eigenlijk doe en of ik wel zin heb om hier tijd en energie in te steken.

    Bij beide onderwerpen heb ik getracht nuances aan te brengen en de auteur(s) te wijzen op inconsequente formuleringen en conclusies. In plaats van dat er op een normale manier wordt gediscussieerd, ontsporen de discussies in rap tempo. Normale vragen worden niet of nauwelijks beantwoord, er worden ad hoc argumenten in stelling gebracht, discussiepunten worden genegeerd, er worden ‘woordsalades’ in elkaar geflanst, men gaat op de ad hominem toer of er worden pogingen gedaan om anderen in discussies te betrekken die geen relatie tot het onderwerp hebben. M.a.w. mij voor het blok zetten en een poging doen om het onderwerp te sturen. En dan heb ik het nog niet eens over beschuldigingen dat ik doelbewust onjuiste info over de vuistbijl van Wijnjeterp zou verspreiden.

    Hoewel de webmaster graag benadrukt dat de website niet van de APAN is, ademt alles de sfeer van deze vereniging. De webmaster, Ton, hinkt duidelijk op twee gedachten. Aan de ene kant probeert hij objectief over te komen, aan de andere kant zit hij stevig verankerd in het APAN-gedachtengoed. Dit is niet alleen te zien op dit forum, maar ook op de Vermaning-website die hij ook heeft gemaakt. Dat is overigens zijn goed recht, maar pretenderen dat e.e.a. los van elkaar staat is zeer ongeloofwaardig.

    Ik heb de Vermaning site een tijdje geleden diagonaal doorgenomen, en hoewel deze een stuk rustiger en ietwat professioneler overkomt dan de website van de APAN, is het ‘oude wijn in nieuwe zakken’, nu en dan met een nieuw dopje. Objectiviteit is ver te zoeken. Ik heb overwogen om puntsgewijs foutieve en kromme redeneringen en conclusies te benoemen, evenals feitelijke onjuistheden, maar dit zou mij teveel tijd gaan kosten en ik vraag mij ten sterkste af of dit enig nut zou hebben. Er wordt zeer selectief geshopt in de argumenten die pleiten voor vervalsing en daar worden vervolgens allerlei ad hoc argumenten tegenover gezet. Ook op dit forum van hetzelfde laken een pak. Controleerbare waarnemingen wat betreft het Midden-Paleolithicum in Noord-Nederland worden genegeerd, en er worden volslagen irreële scenario’s tegenover gezet.

    Alles overziend laat ik het forum verder aan mij voorbij gaan. Ik heb geen zin meer in ellenlange discussies die nergens toe leiden en alleen maar tijd en energie vreten. Vooral van het continue gezeur en ‘kritiek’ van APAN en aanverwanten wordt ik een beetje moe. Presteer zelf wat zou ik zeggen, en dan doel ik niet op postertjes. Rapporteer Schuilenburg als dat zo’n belangrijke vindplaats moet zijn, publiceer het ‘Smildien’ van Eelde, meldt het aan bij de provinciaal archeologen of de RCE.

    Ik steek mijn tijd liever in positieve zaken waar we mee vooruitkomen zoals ons eigen onderzoek. Samen met een grote groep enthousiaste en kundige vrijwilligers/amateurs en collega’s in een positieve sfeer bijdragen aan kennisvermeerdering over het verleden, in dit geval Neanderthalers.

    En daarbij brengen wij met regelmaat nieuwe wetenschappelijke en populairwetenschappelijk publicaties uit, en maken we het publiek enthousiast voor Neanderthalers d.m.v. lezingen enz. Daar hebben we wat aan.

    1. Wow, okey dan, Ik, Ton Schadron, ben de auteur van de website Vermaning.nl. Ik wil benadrukken dat alles wat daarop staat niet is verzonnen, maar gebaseerd op documenten, publicaties van journalisten en verslagen. Er is zorgvuldig onderzoek gedaan en de informatie is herhaaldelijk gecontroleerd. Dit geldt niet alleen voor mijn eigen werk als schrijver, maar ook voor Oud-journalist Hielke Meijer die als eindredacteur, alles opnieuw heeft onderzocht en gecontroleerd op juistheid. Aan dit proces van het tot stand komen van die website is drie jaar onderzoek voorafgegaan, om de website Tjerkvermaning.nl te maken zoals die nu is. Ik wil dit graag even onder de aandacht brengen.

      Je bent vrij om zelf te bepalen of je aan een discussie op dit forum wilt deelnemen. Ik waardeer het dat deze blog hebt gelezen, niet alleen door jou, ook andere bezoekers. Jouw standpunten zijn daarin zeker niet verkeerd over gekomen bij mij en het is goed dat je via deze blog lezers aanspreken voor jouw zienswijzen. Als je van mening bent dat positieve zaken alleen maar afhangen van wat jij vind moet ik je teleur stellen.

      Maar met verwijten kom je niet ver. Het is belangrijk dat we open blijven staan voor verschillende perspectieven en meningen toch? Over jouw opmerking dat je schrijft: “we het publiek enthousiasmeren voor Neanderthalers via lezingen en andere activiteiten”: ik waardeer je inzet hierin en gun je dat oprecht van harte allemaal. Wat dat betreft is er momenteel nog wel enige twijfel van mijn kant over Peest. Maar dat wist je al. Daar moet dan ook weer niet zo moeilijk over worden gedaan. Klaas krijgt ook met Schuilenburg geen gelijk van jou. Wat dat betreft kunnen jullie elkaar de hand schudden. Als Peest vijf Neanderthaler kampen zouden zijn dan is dat wereld nieuws. Maar voorlopig is het niet zover en ook niet definitief aangetoond.

      1. Heb je überhaupt betrokkenen van de ’tegenpartij’ wel eens geraadpleegd? Nee he. Hielke Meijer is ook geenszins objectief en dat weet je zelf ook wel. En er staan vele onjuistheden of verdraaiingen op de Vermaning-website dat het vrijwel ondoenlijk is om die allemaal te benoemen. Heb ik overwogen, maar dat is mij teveel moeite.

        En wat Peest betreft, die 3-5 zijn er al. Klaas krijgt zeker van mij geen gelijk, het zijn namelijk geen overtuigende artefacten. Meer valt er niet over te zeggen. Behalve mijn eerdere suggestie van uitgebreide analyses van typo-technologische attributen waardoor het hopelijk voor vele gelovigen duidelijk wordt dat het natuurlijke vuurstenen zijn.

        1. Nee Klaas krijgt geen gelijk van jou. Dat is geen geheim. Als Peest 5is, dat geeft dat eindelijk eens progressie in MP archeologie van noord Nederland. Doggerland moeten we de zwemvliezen met een leuke zwemslip voor aantrekken als je dieper wil. Wat betreft de Vermaning website, alles wat daar op is vermeld klopt en zonder meer of minder. Dat kan zeer doen maar feiten laten zich moeilijk weerleggen. Ik begrijp jou innige overtuiging,als Vermaning in een complot zou zijn betrokken door het uit zaaien van Ad die met zijn auto zijn replica in Drenthe heeft gezaaid . Maar ha ha geloof je dat die onzin echt haha. Kom-op dat is heel bizar? Dat is het verhaal op Tjerkvermaning.nl . En denk je nu echt dat ik die pseudowetenschap van het bipolaire van enkele apan leden serieus neem? Die onzin is gewoon mee liften op het niet erkennen van .Dat is de huidige Apan het gaat niet om Vermaning maar om eigen vondsten. Bipolair, Schuilen enzv. Maar de essentie van dit geheel is dat men blijkbaar grote waarde hecht aan jou oordeel en dat is een compliment!

          1. ps, denk je dat ik klaas of jou de hand boven het hoofd ga houden als jullie geen van beide kunnen aan tonen dat Schuilenburg keileem of keizand is? Jullie misbruiken dit blog.

          2. ps, na ps, hoort eigelijk onder onderwerp Schuilenburg, alles heeft een gemeenschappelijke samenhang.

  9. Indien Klaas in mijn optiek gelijk heeft, ben ik de laatste om te stellen dat dit niet zo is. M.b.t. Schuilenburg is mijn mening altijd helder geweest. Dat jullie het daar niet mee eens zijn, prima natuurlijk. Ik heb meermaals gesuggereerd om een ‘expertise middag’ te organiseren, en ook om werk te maken van het ‘Smildien’ van Eelde.

    De Vermaning-website, klopt alles? Nee, zeker niet. Ik geef een paar voorbeelden.

    – Heeft Stapert op de verkeerde plaats in Hijken gegraven? Hij heeft gegraven op de plek die hem in het veld door Vermaning is aangewezen. Geloof je dit niet, vraag Stapert dan zelf.
    – Heeft het geregend tijdens de opgraving te Hoogersmilde? Ja, heb ik een rapport van. Wouters heeft geen gelijk. En en passant nog even een denigrerende opmerking maken over Waterbolk en suggereren dat hij liegt vind ik nog al wat. Waterbolk zou ‘achteraf een verklaring hebben bedacht’ … Nee, Waterbolk had gelijk.
    – Hebben Roebroeks et al. een opgraving gedaan op Eemster 2 en vondsten verzameld? Nee, hoe kom je er bij. We hebben een doosje lokale vuurstenen meegenomen, dat is alles.
    – zuidelijke vuursteen op Eemster. Ja, volgens ons bestaat grootste deel uit zuidelijk materiaal (zie artikel NDV), een conclusie die al jaren eerder is getrokken door Musch & Dijkstra in de monografie over Eemster. Niets nieuws dus. De blauwgrijze vuurstenen die in het krantenartikel worden genoemd, zijn nu juist stukken waarvan voor ons de herkomst onduidelijk was! We hebben deze niet als zeker zuidelijk of noordelijk benoemd. Hier werd dus Huisman door Klaas op het verkeerde been gezet.
    – relatie pingo’s – Neanderthalervindplaatsen. Weet je eigenlijk wel dat er geen relatie (in de zin van bewuste locatiekeuze van Neanderthalers) tussen beide is? Pingo’s zijn namelijk ontstaan tijdens het Laat-Glaciaal, ruim 25.000 jaar na het uitsterven van de Neanderthalers!

    Ik kan wel doorgaan, maar daar heb ik geen zin in.

    En als je dan een compleet verhaal wilt brengen, laat dan dit soort zinnen achterwege:

    “We hebben het op deze site over wetenschappelijke praktijken die soms het daglicht amper kunnen verdragen.” en

    “Het lijkt er op dat de professionele archeologen die betrokken waren bij het onderzoek naar de Eemster-artefacten van Vermaning een motivatie hadden om Vermaning te blijven beschouwen als een vervalser van artefacten. De vraag is open of innerlijke onderliggende conflicten daarin een belangrijke rol spelen.”

    Echt, wat een flauwekul. Het enige ‘complot’ wat wij zien is samenwerking tussen Vermaning en Wouters, jullie grossieren er in, maar dat zien jullie zelf dan weer niet.

    Ik breek geen bruggen af Ton – ik ben nota bene de enige professional die de moeite neemt om te reageren – dat doe je zelf met je formuleringen en gebrek aan nuance etc op de Vermaning-website…

    1. Stapert heeft niet op de juiste locatie gegraven. Stapert wist niet beter, en ik geloof inderdaad dat Vermaning hem de verkeerde locatie heeft aangewezen; alles wijst daar ook op. Ik zal dat zonder twijfel toevoegen en ik geef je gelijk in deze.

      Wat betreft het neerslagrapport: Wouters, het hoofd voorlichting van de klimatologische dienst van het KNMI, heeft het rapport ondertekend waaruit blijkt dat er tijdens de opgraving in Hoogersmilde in 1965, van 27 september tot en met 16 oktober, geen regen is gevallen. Dit is ook te zien op de Vermaning-website als bijlage, met de handtekening van H.J. Krijnen van het KNMI. Waterbolk had dus ongelijk.

      Het gaat niet om de glooiende heuvel van een pingo, maar om de resten ervan die nog steeds in het landschap zichtbaar zijn een pingoruine. Dit heeft niets te maken met de periode van de Neanderthaler en het Laat-Glaciaal; de tekst waarnaar wordt verwezen, gaat over de waarnemingen van Stapert tijdens zijn onderzoek, waarbij hij glooiende heuvels had waargenomen. Deze zijn te zien in de vorm van een pingoruïne, dat Stapert niet volledig had beschreven in “Vermaning Stones: Some Facts and Arguments”. Stapert wijst op de twijfelachtige aard van de artefacten, omdat deze ‘niet onderhevig zijn geweest aan solifluctieprocessen tijdens de ijstijden’. Bij solifluctie vloeit de bovengrond van een heuvelhelling af.

      Ik kan hier ook nog wel langer over doorgaan, als je alles diagonaal blijft doorlezen, tja dan.

  10. Dat proces van solifluctie vond pas plaats na dat die artefacten er al lagen en dat bevestig je min of meer door te verwijzen naar 25.000 jaar en de pingo en dat klopt mogelijk maar daarvoor lagen die artefacten er al. Solifuctie was had geen invloed op de artefacten die zich in het keizand bevonden. Die pingoruïnes is aan de rand van de vindplaats zichtbaar.

  11. De ligging van de vindplaats Hijken. Op de vindplaats Hijken is in 1968 door Otto Harsema gegraven, met als resultaat 1 vermoedelijk mesolithisch klingetje, maar geen middenpaleolithische artefacten. Alleen tijdens een bezoek aan de opgraving vond Vermaning in het sloottalud enkele afslagen. In 1973 is door Stapert op dezelfde (!) locatie gegraven, wederom zonder middenpaleo vondsten, wel enkele tientallen mesolithische artefacten. Volgens Vermaning (geciteerd in Waterbolk) had Harsema er ‘net naast’ gezeten, terwijl hij Stapert de ‘precieze’ vindplaats heeft gewezen. Zowel Harsema als Stapert hebben dus op dezelfde locatie gegraven, maar zonder resultaat. Waar het verhaal vandaan komt dat Stapert op de verkeerde plek heeft gegraven is mij onduidelijk.

    Het ondertekende rapport zegt mij weinig. De bijlage met neerslaggegevens heeft betrekking op het weerstation in Dwingeloo, niet op Hoogersmilde. Afstand tussen beide bedraagt zo’n 16 kilometer, en dat is meer dan genoeg afstand om lokale variatie in neerslag te missen. Sterker nog, ik ben in het bezit van een dagrapport van de opgraving waaruit blijkt dat er tijdens de opgraving wel degelijk neerslag is gevallen.

    Over solifluctie. Er staat heel duidelijk op de Vermaning-website dat er een relatie bestaat tussen het kampement van Hijken en de pingoheuvel. Er staat: “De vuurstenen werktuigen van Hijken zijn tientallen meters naast een pingo in de bodem gekomen. Waarschijnlijk bood de zuidkant van de verdwenen pingoheuvel, die is verdwenen, destijds bescherming tegen weersinvloeden en had de Neanderthaler juist die locatie gekozen voor hun kampement.”

    Zoals ik al schreef is dat onmogelijk, pingo’s dateren uit het einde van het Pleniglaciaal/Laat-Glaciaal. Locatiekeuze van Neanderthalers staat hier geheel los van. Ik zie overigens nergens in het artikel van Stapert een specifieke verwijzing naar een pingo-ruïne of ‘glooiende heuvels’. Wel maakt hij algemene opmerkingen over solifluctie, en dat deze ‘… soil movement processes are at work, even on very gentle slopes …”. Hij heeft wel mogelijke indicaties in Hijken gezien voor solifluctie, maar een relatie met de (mogelijke) pingo-ruïne lijkt mij erg ver gezocht.

    1. Vermaning wees de juiste vindplaats Hijken aan Pieter Dijkstra en voormalig BAI-medewerker Jan Evert Musch. Ik ontving in 2025 nog een e-mail waarin amateurarcheoloog Pieter Dijkstra laat weten dat er in 1973 de oorspronkelijke vindplaats door Vermaning aan hem en Jan Evert Musch persoonlijk was aangewezen. Hij onderbouwd dit doordat, Jan Evert Musch toen al wist dat er op de verkeerde plek was gegraven toen hij nog bij het BAI werkte. Vermaning vond zijn vondsten bij de tweede slootrand richting van de Vorelveen weg. Dit wijkt af van de locatie waar Stapert had gegraven. Zelfs als Harsema en Stapert vlak ernaast in de buurd van die plek hadden gegraven, zouden de vondsten niet op die juiste locatie zijn gedaan. Ze vonden dan ook niets. Waterbolk ging ervan uit dat Vermaning de juiste locatie had aangegeven, maar dat bleek niet het geval te zijn.

      Het is mogelijk dat een neerslagrapportage op 16 km afstand anders is. Ik begrijp dat je het dagrapport in je bezit hebt over de Hoogersmilde-opgraving en over regen. Zou je dat rapport met mij willen delen? info@steentijdvondsten.nl. Misschien geeft dat een ander inzicht.

      Een pingoheuvel en een pingo- ruïne zijn verschillend. Ik denk dat je het daar mee eens bent? Het is niet gezegd dat die heuvel voor of tijdens de modderstroming invloed had, maar dat het afsmelten ervan daarna mogelijk wel een rol speelde voor Stapert. Maar niet van invloed was op het verspreiden van de Hijken artefacten die er al lagen. Daarnaast ging het ook over de glooiende heuvels die Stapert had waargenomen. Te lezen in, https://ugp.rug.nl/Palaeohistoria/article/view/25023/22483
      Ik beweer dan ook niet dat Hijken en de verdwenen Pingo van invloed waren op de Vermaning artefacten maar geheel niet van invloed was. Stapert legt wel een verband met glooiende heuvels. En aangezien de enige glooiende heuvels bij vindplaats Hijken de pingoruine zijn leg ik dat verband dat Stapert waarschijnlijk ook had gedaan?
      Wat ik niet begrijp is, Waarom stapert een vergelijking maak met de vindplaats Mander in “Vermaning Stones: Some Facts and Arguments” Waar solifluctieprocessen wel voor het uitwaaieren van artefacten had gezorgd. Maar bij Hijken had de heuvel geen invloed op het uitwaaieren omdat die artefacten al in dat keizand op locatie bevonden. Niet konden uitwaaieren en ook niet op enkele meters waar dan Stapert mogelijk had gegraven.

  12. Mbt Hijken. Het is en blijft een merkwaardig verhaal. Met name omdat Tjerk tijdens het onderzoek van Harsema in 1968 uit het profiel opeens twee passende afslagen tevoorschijn toverde (terwijl het profiel net was geschaafd) en dat de technici tijdens het bijschaven van het profiel nog een paar stukken vonden. Lijkt mij sterk dat dit dan een andere plek is. Op dat moment speelde de hele affaire nog niet, en ook nog niet in 1973 toen Stapert daar onderzoek deed. Er was mijns inziens dan ook geen enkele reden voor Vermaning om foutieve locaties aan te duiden.

    Het dagrapport, daar zal ik over nadenken. Misschien dat ik er eerst zelf nog iets mee ga doen.

    Pingo-ruines zijn niets meer en niets minder dan afgesmolten pingo’s (ijsheuvels). Stapert schrijft volgens mij in het geheel niet over de specifieke situatie te Hijken, maar spreekt in algemene termen over ‘gentle slopes’, en de invloed daarvan op solifluctie. Dat idee was gebaseerd op waarnemingen op de vindplaats Mander waar het verspreidingspatroon suggereerde dat solifluctie een belangrijke rol speelde. Dat hebben wij later genuanceerd omdat het verspreidingspatroon in de Mander-artefacten niet volledig door solifluctie verklaard kan worden. Zelfde geldt trouwens voor Peest. Ik meen dat van der Drift iets heeft geschreven over solifluctie als verklaring voor de ligging van onze artefacten. Daar hebben wij in de profielen geen enkele aanwijzing voor gevonden. Wil niet zeggen dat er op kleine schaal geen solifluctie heeft plaatsgevonden, maar harde aanwijzingen daarvoor ontbreken. Kryoturbatie (en polygonen in de bodem) heeft daarentegen wel een ‘verstorende’ rol gespeeld in de verticale en horizontale spreiding van de artefacten. Ook dat heeft maar op kleine schaal een rol gespeeld. Overigens wijzen de refitlijnen (verbindingslijnen tussen passende artefacten) in Peest ook op een (indien aanwezig) een uitermate geringe rol van solifluctie. Deze lijnen lopen namelijk globaal oost-west, en niet noord-zuid (hellingafwaarts) zoals je bij solifluctie zou verwachten.

    1. Maar zeg je nu dat, de technici tijdens het bijschaven van het profiel nog een paar stukken vonden. Zojuist heb je het in de discussie het nog over 1 vermoedelijk mesolithisch klingetje? Hijken toch waar we het over hebben? Het dagrapport delen, daar zal ik over nadenken schrijf je. En schrijft, misschien dat ik er eerst zelf nog iets mee ga doen? Misschien, mogelijk waarschijnlijk enzv, ga je dus er wat mee doen? Lekker dan dit, Ondertussen mij verwijten dat ik onwaarheden verkondig op een website als je het bewijs van mijn ongelijk en jou gelijk niet wil delen.

      1. Deze reactie had ik even gemist.
        De reguliere opgraving heeft alleen een mesolithisch klingetje opgeleverd. Nav de vondst van Vermaning in het profiel is er nogmaals geschaafd door de technici en zijn ook 1 of 2 artefacten gevonden. Staat beschreven in het boek van Waterbolk (Scherpe stenen) en is ongetwijfeld ook in andere publicaties of rapporten aan bod geweest.

        Dagrapport is inderdaad een onderwerp waar ik mogelijk iets over wil schrijven. Weet ik nog niet zeker. Tzt mag je zeker een kopie. Maar, je noemt op de website ook een dagrapport van een graver op Hoogersmilde die schrijft dat de grond keihard was . Ik kan ook zeggen, nou, laat maar zien dan!

        1. Heel goed dat je me kritisch bevraagd over die student archeologie in opleiding maar ook Boer Vos, de grondeigenaar van de vindplaats Hoogersmilde verklaarde dat en geen spijker in de grond was te slaan laat staan dat er er vuistbijlen in de bodem konden worden geduwd. Tros tv documentaire als ik me niet vergis.

          1. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten. Uit eigen ervaring weet ik dat keileem inderdaad keihard kan zijn, maar ook dat het een zompig en glibberig zootje wordt na regen. En vergeet ook niet dat tijdens het eerste bezoek van Waterbolk en co aan de vindplaats de putten van Tjerk volledig volstonden met water. Dat is ook een moment geweest dat er stukken in de blubber gedrukt konden worden.

          2. Ik begrijp dat je een publicatie wilt schrijven over hoe de opgravingsput Hoogersmilde vol regenwater is gekomen. Maar welke valkuilen of problemen zitten er nog aan vast om die dagrapportage niet te willen delen? Je kunt later bijvoorbeeld wel schrijven over Hoogersmilde op basis van die dagrapportage en het regenwater, maar waar mag ik dat dan op baseren als die dagrapportage geheim blijft? Dat geeft mij nu het voordeel van de twijfel bij de lezers van dit blog. Als de bewering van Ad Wouters en het KNMI rapport niet klopt dan zal ik de eerste zijn die jou gelijk geeft. Maar welk addertje zit er onder het keizand om die dag rapportage niet te delen met mij?

  13. Daarnaast werd er een vergelijking gemaakt met de vindplaats Mander, waar de artefacten door modderstromen waren verspreid. Maar dat kan niet kloppen, omdat de pingo jonger, zoals je al aangeeft 25.000 jaar jonger is dan de vondsten uit Hijken, mogelijk ouder dan 50.000 jaar en dus niet de oorzaak kan zijn van de verspreiding van de Vermaning Hijken artefacten. De artefacten uit Hijken zijn dus niet verspreid geraakt door solifluctie-processen. Stapert vond dat verdacht, omdat hij Hijken vergeleek met de vindplaats Mander, terwijl dat niet logisch is gezien de verschillende ouderdommen en omstandigheden.
    ‘gentle slopes’ lol en Ja, dat klopt! “Gentle slopes” zijn zachte, glooiende heuvels met een relatief lage en vloeiende helling. Waar zijn die op de vindplaats Hijken waar te nemen behalve de ruine van een pingo? Dat geld ook voor ander vindplaatsen met MP ook Peest.
    Het verschil zit in de glans? Okey heel makkelijk we nemen aan de Vermaning Mp zijn vals. Hoe komt Peest aan zijn glanspatina? Je antwoord zal zijn windlak? Maar als de vuistbijl van Wijnjeterp met glans een drift-artefact is kan Peest dat ook zijn puur afgaande op de glans? Als ik me niet vergis in de discussie met Klaas en mij zou Wijnjeterp een driftartefact zijn?

    solifluctie en cyroturbatie, volgens mij had van der Drift het over Kyroturbatie niet over soliflucatie. Het is me wel een raadsel hoe hij uit een compacte keizandbodem die artefacten weer in het dekzand heeft weten te krijgen, zonder ploegen en ruilverkavelingen. Mogelijk heb jij er een antwoord op, met modderstromingen in een compacte keizandbodem?

    1. Mbt Wijnjeterp, dat is m.i. geen driftartefact maar volgens de APAN wel. Zoals ik al eerder heb opgemerkt ken ik geen enkel gewindlakte artefact met gletsjerbeschadigingen op de bewerkte vlakken, wel op de natuurlijke vlakken en cortex.

      Ik moest het verhaal van Van der Drift even opzoeken, was dit kwijt. Tsja, hij fantaseert er weer lustig op los. Begint al bij een verkeerde invulling van de lagen in het profiel. ‘Bouldersand’ (keizand) noemt hij gewoon ‘zand’, en ‘weathered glacial till’ noemt hij keizand. Mag misschien een kleinigheid lijken, maar het zijn wezenlijk verschillende zaken. Vervolgens komt solifluctie om de hoek kijken en zijn de vuurstenen als colluvium in het dal afgezet. Zoals ik al eerder heb geschreven ligt de vindplaats niet in het dal en hebben we geen overtuigende aanwijzingen voor solifluctie. Uit onderzoek van kwartair-geologen blijkt dat het zand geen gewoon zand (ik vermoed dat Van der Drift op dekzand doelt), maar keizand is. De OsL-dateringen van 13.000 jaar zijn goed te verklaren (we hebben in het veld ook discussies gevoerd over de vraag of OSL-dateringen van dit keizand nuttig zijn), simpelweg door het feit dat keizand vrijwel altijd is gemengd met laat-glaciaal dekzand. Blijkbaar hebben wij in dit geval de fractie dekzand gedateerd. Deze jonge dateringen kwamen dus niet als verrassing. Wat de zaak compliceert is het feit dat niet alleen kryoturbatie an sich een rol speelt, maar ook het voorkomen van zgn. patterned ground of polygoonvorming. Hierdoor krijg je niet alleen typische kryoturbatieverschijnselen maar ook nog eens een sizesorting effect. Omdat we in 2011 maar een klein aantal kleine putjes mochten graven van de landeigenaar hebben we de invloed van al deze verschijnselen slechts op kleine schaal kunnen bestuderen. Momenteel werk ik aan een projectplan voor de komende jaren waarin onderzoek naar de geologische verschijnselen een belangrijke plaats krijgt. Aspecten zoals de invloed van kryoturbatie (en solifluctie?) op de (verticale en horizontale) spreiding van artefacten komt daarin aan bod, het size-sorting effect (grotere artefacten lijken doorgaans hoger in het profiel voor te komen dan kleinere enz enz., nieuwe dateringen op basis van single-grain OSL (nauwkeuriger en gerichter dan de oude OSL) en TL-dateringen van verbrande vuurstenen Kortom, er is nog meer dan genoeg te doen en te ontdekken.

  14. Vorming pingo-ruine staat niet gelijk aan solifluctie. En nee inderdaad, pingo heeft niet geresulteerd in solifluctie. Stapert heeft wel vermoedelijke sporen van solifluctie tijdens zijn opgraving te Hijken gezien, maar dat kan plaatsvinden op ‘gentle slopes’. En als je het AHN-bestand bekijkt is er inderdaad sprake van een gentle slope te Hijken. Meer dan een paar graden helling is er niet voor nodig. En daarbij moet je ook niet vergeten dat het reliëf door verwaaiing en verspoeling aanzienlijk zal zijn genivelleerd. Een gebied wat nu redelijk vlak lijkt zal 50.000 jaar geleden een stuk reliëfrijker zijn geweest. Schattingen lopen doorgaans uiteen van 1-2 meter keileem wat is verdwenen door uitspoeling en uitwaaiing.

    Peest bestaat in principe ook uit gentle slopes die vanuit de Zeijenrug richting het beekdal lopen. NB de opmerking van Van der Drift dat Peest in het beekdal ligt, is eveneens incorrect. De vindplaatsen liggen op de flank van de rug.

    Wat glans betreft (we springen wel van de hak op de tak, maar dat is prima). De meeste artefacten van Peest vertonen windlak zoals gedefinieerd door Stapert, net als de vuistbijl van Wijnjeterp. Windlak is variabel, er komen sterk glanzende stukken voor op Peest, maar ook zeer licht glanzende artefacten (vermoedelijk beginnende windlak of glanspatina), waarvan we vermoeden dat deze MP zijn, maar we kunnen dat op dit moment niet hard maken.

    1. Vermoedens van gentle slopes zijn geen bewijs en vermoedens. Maar laten we Hijken even voor wat het is en wat betreft Hoogersmilde en de regen tijdens de opgraving Hoogersmilde wacht ik dan maar af als je die dag rapportage niet met me wil delen? Nu gaat na aanleiding van deze discussie mijn aandacht uit hoe kan vermoedelijk beginnende windlak of glanspatina ontstaan op doffe artefacten in de context van de huidige tijd en, (vermoedelijk beginnende windlak of glanspatina)?

      1. Vermoedens zijn zeker geen bewijs, maar zoals ik al opmerkte is er wel degelijk een ‘gentle slope’ te zien in Hijken.

        Mbt windlak. Een hele mooie analogie van het ontstaan van windlak vind je in artefacten uit de Sahara, maar dichterbij huis in zandverstuivingen. Kootwijkerzand en Drunense Duinen zijn mooie voorbeelden. Veel artefacten (m.n. Laat-Paleo en Meso) zijn sterk glanzend (en afgerond) ten gevolge van honderden jaren in die verstuivingen te hebben gelegen. Sommige artefacten laten zelfs beginnende vorming van putjes zien zoals we die goed kennen van middenpaleo artefacten. Is weinig mysterieus aan. De meest voor de hand liggende periode (als we het over Neanderthaler en vroeg-jongpaleo vondsten hebben) dat dit heeft plaatsgevonden is het Laat- of Boven-Pleniglaciaal, een periode met weinig tot geen vegetatie en langdurige zandverstuivingen onder koude omstandigheden. Eventueel eerder ontstane glanspatina zul je dan niet meer waarnemen.

        1. Van Noort ontdekte dat zandverstuivingen het vuursteen dof kan maken. Dat had hij aan de praktijk getest. Het gaat over vuursteen dat dof was geworden aan de Noordzee kust.

  15. Tsja, nietzeggend onderzoek van Govert.

    Ten eerste. Toen de vuurstenen door Neanderthalers werden achtergelaten op de bodem waren de artefacten vers, scherp en ongepatineerd. Waarom je dan glanzende artefacten zou laten zandstralen is mij een raadsel, hij had vers geslagen vuurstenen moeten gebruiken voor zijn experiment. Nu is het een soort van nietszeggende ‘reverse engineering’.

    Ten tweede. Vuurstenen ophangen aan een paal een halve meter boven de grond slaat ook nergens op. Neanderthalers spijkerden geen vuurstenen artefacten aan een paal op een aantal centimeters boven de grond, hun artefacten lagen op de grond.

    Ten derde. Vuurstenen verticaal ophangen slaat ook nergens op. Meeste artefacten zullen plat op de oude bodem hebben gelegen, dus niet haaks op de wind. Uit experimenten met zandverplaatsing door wind blijkt ook dat zandkorrels zich op de bodem heel anders gedragen dan op enige hoogte.

    Kortom nutteloos, het experiment had nog enige waarde gehad wanneer Van Noort verse artefacten had gebruikt en deze op de grond had gelegd. Uit experimenten met het zandstralen van artefacten blijkt juist dat deze gaan glanzen en dat er putjes ontstaan die we goed kennen van windlak.

    1. En nog een aanvulling waar we Van Noort destijds ook op hebben gewezen. Als vuurstenen onder invloed van zandstralen dof worden, waarom liggen er dan massa’s glanzende vuurstenen op het Texelse strand? Die hadden dan ook dof moeten worden.

  16. Van Noort zocht naar een verklaring waarom Vermaning MP artefacten niet glimmend zijn. Nu ben ik van die zandstraal voorbeeld experimenten niet geheel overtuigd en of daarmee iets kan worden aangetoond wat betreft de MP van Vermaning. Zowel glans laten ontstaan als dof worden door zandstralen zijn beide niet uit te sluiten. In Nederland komen verschillende soorten vuursteensoorten voor die variëren in hardheid. Een van die argumenten over de Vermaning Mp is de vuursteen soort. Het zandstralen met vuursteen kan variëren in effect door verschillen in hardheid, samenstelling en structuur van de vuursteen. Over het algemeen wordt een voorwerp mat of dof in uitstraling nadat je het met zandstraaltechniek hebt behandeld. Of het echt dof wordt, hangt ook af van het materiaal en de gebruikte straalmethode, maar over het algemeen zorgt zandstralen voor een matte uitstraling.

    1. Dit zijn een heleboel ‘kan wel, hoeft niet’ argumenten.

      Glans is een optisch verschijnsel. Bij fijnkorrelige vuurstenen is de glans in onze optiek sterker dan bij grofkorreliger soorten. Hebben we ook beschreven. Feit is dat ook grovere vuursteensoorten, kwartsieten en helleflinten gewoon windlak laten zien. Weliswaar wordt de glans door onze ogen als minder sterk ervaren, het zit er wel degelijk op, in combinatie met putjes.

      Ook binnen de Vermaning ‘vindplaatsen’ komen ook fijnkorrelige vuursteensoorten voor en daarop ontbreekt windlak (behalve op de natuurlijke vlakken van een aantal stukken, zoals de Leemdijkbijl). In dezelfde laag als waaruit de artefacten zouden moeten komen (keizand) zitten vuurstenen met windlak. Er is geen geologische verklaring te bedenken voor het geheel ontbreken van windlak (e.a. postdepo verschijnselen) op de Vermaning-stukken.

      En zoals ik al schreef, experimenten hebben duidelijk laten zien dat zandstralen wel degelijk glans veroorzaakt. Dat zie jij bijv. ook bij windkanters.

      1. Wanneer de MP artefacten Peest over een groot gebied verspreid liggen, kan dat erop wijzen dat ze via natuurlijke processen, zoals solifucatie, zijn verplaatst vanaf hun oorspronkelijke locatie? Of is het mogelijk dat de verspreiding het gevolg is van neanderthaler activiteiten, zoals hergebruik of herverdeling van artefacten, doordat ze oorspronkelijk in een groter gebied werden gebruikt en achtergelaten? Dit kan de kans vergroten dat dergelijke artefacten worden gevonden op meerdere locaties en in omstandigheden kwamen door hergebruik of herverdeling en gunstiger glans en beschadigingen konden krijgen, in tegenstelling tot artefacten die op een enkele plek zijn achtergelaten en in het keizand mogelijk minder glans en postdepo verschijnselen konden krijgen?

        1. Daar hebben we geen aanwijzingen voor. Alle concentraties zijn redelijk beperkt qua omvang en zoals gezegd hebben we noch in de profielen, noch in de richting van de refitlijnen aanwijzingen voor solifluctie. Wil niet zeggen dat er in het geheel geen solifluctie heeft plaatsgevonden, maar in elk geval niet op grote schaal. Tussen de concentraties liggen ook her en der artefacten, maar die zijn goed te verklaren door de scatters en patches patronen die o.a. Roebroeks heeft geschetst voor de Belvedere-groeve. M.a.w. je hebt ‘high density scatters’ (de concentraties) en low density scatters of patches, het gebied tussen concentraties waar ook allerlei kortstondige activiteiten plaatsvonden die weinig artefacten hebben achtergelaten of specifieke stukken. Alles bij elkaar maakt dit een Neanderthaler lithisch landschap, dat zich overigens uitstrekt te noorden en ten zuiden van de vindplaats. Ook hergebruik (recycling) van artefacten hebben we gedocumenteerd. Verschijnselen zoals windlak, maar ook patina, zijn variabel. Een meetbaar verschil in windlak heb ik niet gezien, wel grote verschillen in type patina: ene concentratie m.n. bruine patina, andere vooral wit.

          1. Dat peest geen drift artefacten is, dat kunnen we dus voorlopig uitsluiten. Dat is mooi Peest is ook niet vergelijkbaar als vindplaats met de Wijnjeterp vuistbijl.

          2. Bruine of witte patina zeggen niet veel over Peest, processen in de bodem kan hetzelfde stuk vuursteensteen, op dezelfde leeftijd, aan de ene kant zelfs wit laten uitslaan (zeer fijne chalcedoon/kwarts-deeltjes in de buitenlaag; porien wanden en dragen vaak een laagje uitgeslagen (wit) amorfe opaal). En kan zelfs aan de andere kant van het vuursteen bijvoorbeeld bruin zijn door oxidatie van ijzer en mangaan in de bodem. Waar ook patina op kan komen. Deze lokale omstandigheden zouden zelfs op korte afstand van invloed hierop kunnen zijn, heb ik vernomen. Mijn vraag daarom, is Peest hergebruik als recycling van artefacten die jullie hebben gedocumenteerd? Zoals je al schrijft zouden ze geen drift zijn ook niet als solifluctie uitgewaaierd. Je heb de meeste vondsten Peest niet uit het keileem opgegraven maar over de akkers verspreid opgeraapt? Dat geeft toch een ander situatie dan vuursteen artefacten die op een enkele plek zijn achtergelaten en in het keizand daarom mogelijk minder glans en postdepo verschijnselen konden krijgen?

  17. Dat Peest zou bestaan uit driftartefacten kunnen we volledig uitsluiten, niet ‘voorlopig’. Ik heb al meer dan genoeg redenen gegeven. Ik weet niet meer of ik de gewindlakte laat-MP bladpits (Mauern-type, ca. 45.000 jaar) heb genoemd, maar ook dat stuk is al een solide argument. Wat Wijnjeterp voorstelt in termen van Neanderthaler-gedrag weten we niet. Is het een geisoleerde vuistbijl achtergelaten na een slachtpartij (hiervan kennen we vele voorbeelden uit NW-Europa en ook Nederland), of is het onderdeel van een kampement. Dat laatste zou ook heel goed kunnen, veel onderzoek heeft op de vindplaats niet plaatsgevonden.

    Patina’s zeggen weinig tot niets over de exacte ouderdom, dat is correct. Wel geven ze informatie over de postdepositionele inbedding van artefacten. Ik noemde dit alleen maar omdat de verschillen frappant zijn. En zeker kunnen op een en hetzelfde stuk verschillende patina’s voorkomen. Opaal en chalcedoon in witte patina, nope daar zijn geen aanwijzingen voor.

    We hebben twee soorten hergebruik: 1. Tijdens het MP zelf, bijv. vuistbijlen die als kern zijn gebruikt, en 2. MP-artefacten die tijdens latere perioden (Meso of Neo) zijn opgeraapt en gebruikt/ bewerkt.

    M.b.t. je laatste zinnen. De vondsten van Peest komen niet uit de keileem, maar uit het keizand. Dit is goed gedocumenteerd. En juist in die situaties verwacht je windlak en andere postdepo verschijnselen. En ze zijn lang niet allemaal verspreid over de akkers opgeraapt, maar voor een groot deel in concentraties, met daar tussenin een ‘losse’ spreiding.

  18. Waar kunnen lezers van dit blog de Peest-vondsten als beeldmateriaal ter inzage krijgen? W.b.t. keileem dat had ik verkeerd geschreven moest keizand zijn mijn fout. De werktuigen en afslagen van de vindplaats Peest, die zou ik heel graag (mist mogelijk gedocumenteerd) in de publicaties aan het publiek van deze website willen laten zien met afbeeldingen. Zou jij een bijdrage aan deze website willen verlenen? Met jou inzending over Peest zodat de lezers van deze website ook het verhaal en de vondsten Peest ervan overtuigd raken dat er ook neanderthaler verblijfplaatsen op Peest zijn? En dit kan op de publicaties pagina van deze website om daar meer over kunnen vernemen.

  19. Daar heb ik geen tijd voor. Wel kunnen lezers onderstaande publicatie op mijn Academia pagina vinden, dat artikel is verschenen na de proefopgraving in 2011. Verder zijn er op https://rug.academia.edu/MarcelNiekus meer publicaties te vinden zoals in de Nieuwe Drentse Volksalmanak, Paleo-Aktueel, Grondboor & Hamer, Quartar etc die op Peest betrekking hebben. Naast uiteraard publicaties over andere middenpaleo vondsten uit Nederland. Onderstaand artikel bevat een hele serie tekeningen en foto’s van artefacten, die geven een goed beeld van de assemblage. De nieuwere concentraties zijn nog niet integraal gepubliceerd, maar daar is wel e.e.a. over te vinden (incl. foto’s) op de website van onze stichting Stone: http://www.steentijdonderzoek.nl/

    https://www.academia.edu/111990993/News_from_the_north_A_late_Middle_Palaeolithic_site_rich_in_handaxes_on_the_Drenthe_Frisian_till_plateau_near_Assen_the_Netherlands_first_results_of_a_trial_excavation

  20. Wat betreft de publicatie door Jan Willem van der Drift over zijn verklaring over glans. Niekus maakte een terechte opmerking: welke beekdalen? Die zie ik ook niet in het landschap zichtbaar, bijvoorbeeld op de akkers vermaning, al zouden kaart stromingen ons daarin kunnen misleiden. Maar laten we eerlijk zijn, het verspoelen van artefacten op de Vermaning-vindplaatsen in beekdalen dat biedt geen enkele betrouwbare verklaring. Dus ja, 1-0 voor Niekus met Peest. Het is geëgaliseerd door landbouw en ruil verkaveling. Hypothetisch kan het zo zijn maar toon het dan ook aan van der Drift?

    1. Het is geen wedstrijd. Maar wat is jou antwoord met steekhoudende argumenten over wat ik wel al eerder schreef op deze blog,liesegang verward als ijzerinfiltratie in het boek Valsheid?

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *