De Neanderthaler verblijfplaats La Quina.

Uitgebreide blogpost.

De paleolithische vindplaatsen van La Quina vlak bij Gardes-le-Pontaroux, in Charente, Frankrijk, bestaat uit een karstplateau met een steile schuin aflopende rotswand en strekt zich uit over bijna 700 meter met daaronder een uitgestrekte vlakte, het was een ideale verblijfplaats voor de Neanderthalers. Ze leefden op de vindplaats tussen 71.000 en 40.000 jaar geleden. Van dit plateau konden ze het wild de rotswand af jagen, en de vallei eronder goed overzien wat hen een strategisch voordeel gaf bij de jacht.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat filmmaker Jean-Jacques Annaud deze locatie heeft gekozen als uitgangspunt voor zijn film La Guerre du feu uit 1981. De film speelt zich 80.000 jaar geleden af. Bij sommige zaken had de film het echter niet helemaal bij het rechte eind. Zo laat de film zien dat er contact was tussen de Neanderthalers en de Homo sapiens. Recent onderzoek heeft echter in het DNA van de moderne mens bewijs gevonden voor contact tussen Neanderthalers en homo sapiens. Wetenschappers denken voorlopig nog dat dit contact er pas 40.000 tot 30.000 jaar geleden plaats vond, en niet eerder zoals, 60.000 jaar La Quina? of nog langer geleden 80.000 jaar in de speelfilm. De speelfilm toont ook niet exact de locatie omdat de La Quina site als cultureel erfgoed niet voor de film opnames kon worden gebruikt. Jean-Jacques Annaud had het op andere details wel bij het rechte eind. De Neanderthalers hadden rood haar in de film. DNA studies die werden gepubliceerd in 2000 tonen aan dat sommige neanderthalers inderdaad ook roodharig waren.

Dat wil niet bewijzen dat Neanderthalers allemaal rood haar hadden. De oorsprong van rood haar bij mensen wordt vaak toegeschreven aan een genetische mutatie die van Neanderthalers afkomstig zou kunnen zijn, maar het is niet zo eenvoudig. Rood haar bij mensen wordt veroorzaakt door een mutatie in het MC1R-gen (Melanocortin 1 receptor). Dit gen speelt een rol in de productie van melanine, het pigment dat de kleur van onze huid, ogen en haar bepaalt. Mensen met een specifiek soort mutatie in dit gen hebben minder eumelanine (donker pigment) en meer feomelanine (licht pigment), wat resulteert in de kenmerkende roodachtige haarkleur. Neanderthalers konden wel verschillende andere haar kleuren hebben gehad.

De La Quina Neanderthalers leefde waarschijnlijk gedurende langere tijd in relatieve isolatie, mogelijk afgezonderd van andere groepen. En ontwikkelden hun, herkenbare typische asymmetrische werktuigen, ongelijkmatig, die bekendstaat als de Quina-cultuur. Een van de grootste concentraties van stenen en botten die door Neanderthalers zijn achtergelaten, bevond zich op de beroemde archeologische vindplaats La Quina. De makers van La Quina leken dus, weinig om symmetrie te geven, zolang het gereedschap maar werkte. De Clactonische inkepingen zijn grote inkepingen, verkregen door één enkele hamerslag, soms gecorrigeerd door kleine secundaire aanpassingen, die ook door gebruik veroorzaakt kunnen zijn. De Clactonische inkepingen komt voor bij een overgroot deel van de Neanderthaler vuursteen vondsten van die vindplaats. De meeste vuursteen werktuigen van La Quina bestond uit licht grijze vuursteen. Naast de vele krabers, schaafgereedschappen van vuursteen en uit bot gemaakte priemen en lissoirs, leverde de vindplaats ook vele vuistbijlen op.

Foto: (links boven) Een van de vele vlokken verwerkt tot racloir. (onder) Schaaf van het La Quina-type, met een clactonische inkeping waarvan er meerdere van dit type schaaf zijn gevonden.

De La Quina Neanderthaler lijken hun doden niet te begraven, maar voeren complexe begrafenisrituelen op hen uit? (het in stukken snijden van de lichamen). Of waren ze kannibalen? Hierover verschillen de meningen. De vindplaats leverde fragmentarische resten op van meer dan 25 mensachtigen. toegeschreven aan Homo sapiens neanderthalensis. In de menselijke botresten zijn de vele snijsporen veelvuldig zichtbaar. Het vermoeden is ontstaan dat ze het vlees van de botten sneed. Een ander opvallend detail uit de botresten, zowel van mensen als dieren, is dat de botten waren gebroken en gespten om het merg eruit te halen.

Als het gaat om vuursteen bewerking, dan konden ze echter ook mooi werk afleveren waaronder vuistbijlen, of zoals in het geval van stenen die perfect bolvormig waren uitgehakt, vermoedelijk voor bola’s. En laat zien dat de La Quina-knappers, over uitstekende vaardigheden beschikte, ondanks de dikke en asymmetrische gereedschappen die ze doorgaans produceerden. Het zou veel moeite en vaardigheid hebben gekost om zo’n dichte benadering van een bol te maken. In het oorspronkelijke rapport over de ontdekking stond dat het om kalksteen ging.

Sommigen hebben geopperd dat het werd gebruikt als gewicht in een bola, een jachtwapen dat bestaat uit drie of meer gewichten die met touwen of riemen aan elkaar zijn gebonden. Deze gewichten werden op zo’n manier gegooid dat de poten van gejaagde dieren erin verstrikt raakten en ze ten val kwamen. Er is echter geen sluitend bewijs voor het gebruik van bolas in Europa. Waar dit artefact voor is gebruikt blijft een raadsel.

H5 en H18

Op de foto de schedel van het kind uit La Quina, H18, ongeveer 7-8 jaar oud. Midden-Paleolithicum. Ontdekt in 1915 door Henri-Martin. Vier jaar daarvoor, in 1911 groef Henri-Martin al een skelet op van een volwassen vrouwelijke neanderthaler, liggend aan de voet van de Moustérienlaag. De schedel H5 van de vrouw lag beschadigd in de bodem en is gereconstrueerd.

Mogelijke leefde de groep La Quina Neanderthalers generaties lang geïsoleerd, en hadden hierdoor mogelijk weinig of geen contact met andere Neanderthaler-groepen. De grote hoeveelheid aan botresten in de verschillende bodem lagen met werktuigen getuigen van een langdurig verblijfplaats met een eigen cultuur. Generaties lang was er waarschijnlijk geen noodzaak om een nomadisch bestaan te gaan leiden. Dit kan er ook op wijzen dat La Quina Neanderthalers in kleine groepen hun overlevingskansen vergrootten door hun geïsoleerd bestaan. De La Quina locatie bood ze gunstige huisvestings-mogelijkheden dichtbij hun voedselbronnen en in een omgeving die schaars is aan rotswanden waar concurrerende Neanderthalers zich niet konden vestigen. Waarschijnlijk domineerde de La Quina clan de 700 meter uitgestrekte karst rots wand.

Deze conclusies kwamen voort, dankzij de onvermoeibare inzet van de archeoloog Henri-Martin. De onderzoeker van de vindplaats La Quina, die uitgebreid onderzoek had gedaan naar de vele botresten en vuursteen artefacten die daar door hem werden gevonden. Na Henri-Martins overlijden bleef zijn werk voortleven in de vorm van zijn uitgebreide verslagen en gedetailleerde registraties. Zijn aantekeningen boden toekomstige generaties archeologen de mogelijkheid om verder onderzoek te doen, om de context van de vondsten te begrijpen en nieuwe inzichten te verkrijgen over de prehistorische bewoners van La Quina.

De Franse prehistorische archeoloog en geoloog Gustave Chauvet verkende La Quina voor het eerst in 1872. De aanleg van een weg daar in 1881, waarbij dierlijke botten en artefacten werden blootgelegd, bracht Chauvet en anderen ertoe nieuwe opgravingen uit te voeren. Henri-Martin begon in 1905 met nieuwe opgravingen in La Quina en bleef tot 1936 op de vindplaats werken. Zijn talrijke archeologische en paleontologische ontdekkingen en zijn vele publicaties, gebaseerd op zijn jarenlange onderzoek in La Quina, leverden belangrijke bijdragen aan de paleolithische archeologie en paleoantropologie.

De archeoloog Henri-Martin en zijn vindplaats La Quina.

Hij groef Mousterien- en Aurignacien-bewoningsniveaus op die overvloedig stenen en benen werktuigen bevatten, evenals talrijke dierenbotten. De dierlijke fossielen in het Mousterien-niveau waren voornamelijk rendieren en paarden, met enkele mammoeten, grothyena’s, bizons en andere dieren. De enorme collectie artefacten die in de loop der jaren op de vindplaats werd gevonden, stelde Henri-Martin in staat de ontwikkeling van botten en stenen werktuigen tijdens het Mousterien in La Quina te traceren. Hij ondernam innovatieve studies naar bottenartefacten (gemaakt van de opperarmbeen- en voetbeenderen van paarden, rendieren en bizons) die werden gebruikt om vuurstenen werktuigen te retoucheren, wat licht werpt op hoe sommige Mousterien-werktuigen werden gemaakt.

Tijdens het identificeren en classificeren van de verschillende soorten artefacten die in La Quina werden gevonden, beschreef Henri-Martin intensief geretoucheerde stenen werktuigen van de vindplaats, die hij Moustérienne perfectionée (geperfectioneerd Moustérien) noemde. Hij traceerde ook de ontwikkeling van artefacten uit het Moustérien, die in de loop der tijd een grotere complexiteit vertoonden en zo de verbetering van de vaardigheden van Neanderthalers in het maken van werktuigen gedurende het Moustérien aantoonden. Henri-Martin voerde het grootste deel van de opgravingen in La Quina zelf uit, hoewel hij in de loop der jaren werd bijgestaan ​​door diverse mensen

Naast stenen en benen werktuigen begon Henri-Martin ook geïsoleerde fragmenten van gefossiliseerde menselijke botten te vinden. Op 18 september 1911 groef Henri-Martin een skelet van een vrouwelijke neanderthaler op, liggend aan de voet van de Moustérienlaag. Neanderthalerskeletten waren zeldzaam en er bestond nog veel onduidelijkheid over hun anatomie en hun plaats in de menselijke evolutie.

Hij was niet de eerste die een Neanderthalerskelet had gevonden. Een vrijwel compleet Neanderthalerskelet, die door A. en J. Bouyssonie en L. Bardon was gedaan, in augustus 1908 in een grot nabij het Franse dorp La Chapelle-aux-Saints, was overgebracht naar het Natuurhistorisch Museum in Parijs, waar paleontoloog Marcellin Boule grondige onderzoek deed naar de Neanderthalerresten van 1911 t/m 1913. Boules conclusies waren zeer invloedrijk en gaven het skelet van La Chapelle-aux-Saints een aanzienlijke status, maar het was niet het enige Neanderthalerskelet dat toen recentelijk werd ontdekt. ​​

Otto Hauser, een Zwitserse amateurarcheoloog, groef in maart 1908 een vrijwel compleet Neanderthalerskelet op bij de Franse vindplaats Le Moustier, dat werd onderzocht door de Duitse antropoloog Hermann Klaatsch. Het Mousterien tijdperk is vernoemd naar deze vindplaats Le Moustier in Zuidwest-Frankrijk. Deze vindplaats van Otto Hauser was een van de belangrijkste archeologische sites waar artefacten werden ontdekt die typisch zijn voor deze periode, die tussen ongeveer 300.000 en 30.000 jaar geleden ligt. Hauser noemde zijn skelet Neanderthalensis Hauserie. Maar zijn achternaam is daar later van afgehaald en dat had alles te maken met de eerste wereld oorlog en zijn verkoop van de artefacten zoals de schedel van Moustier aan het nationaal museum in Berlijn. Hij was in Frankrijk niet meer welkom en zijn huis en bezittingen werden in beslag genomen. Deze schedel van Moustier, dat is een verhaal op zich waar de russen beslag op hebben gelegd na het gebombardeerde museum in Berlijn tijdens de tweede wereldoorlog. De schedel is door de Russen verder vernageld en keerde na de tweede wereld oorlog weer terug naar Frankrijk waar de wetenschap weinig mee kon omdat de neanderthaler schedel uit de vele losse stukjes verkeerd in elkaar was gelijmd en daardoor totaal ongeschikt was geworden voor verder wetenschappelijk onderzoek.

De Mousterian cultuur wordt voornamelijk geassocieerd met de Neanderthalers, hoewel sommige van de laat-mousteriaanse sites als la Quina ook sporen van vroege moderne mensen (Homo sapiens) vertonen. En in 1909 en 1910 ontdekten de Franse antropoloog Louis Capitan en zijn medewerker Denis Peyrony eerst een mannelijk Neanderthalerskelet en vervolgens een vrouwelijk Neanderthalerskelet in La Ferrassie in de Vézèrevallei. Het skelet van de Neanderthaler uit La Quina was dus één van een reeks belangrijke Neanderthaler-exemplaren die in een tijdsbestek van slechts vier jaar werden ontdekt.

Naarmate de werkzaamheden in La Quina vorderden en Henri-Martin een groeiende collectie artefacten en dierlijke fossielen verzamelde, werd het noodzakelijk om er een laboratorium te vestigen. Hij kocht een prachtig oud gebouw, bekend als de Logis du Peyrat, gelegen nabij het dorp Blanzaguet-Saint-Cybard. Hij transformeerde het tot een landhuis en bouwde er een Laboratoire d’Études de Paléontologie Humaine om zijn collectie te huisvesten en werkruimte te bieden voor zijn onderzoek. Henri-Martin verwierf een reputatie als een onvermoeibare onderzoeker die vriendelijk en gastvrij was tegenover collega-wetenschappers die regelmatig La Quina bezochten om de collecties in het laboratorium te inspecteren of deel te nemen aan opgravingen.

La Quina – vele botjes van holenberen werden ingekerfd en waarschijnlijk als hangertjes gedragen

Henri-Martins decennialange opgravingen in La Quina leverden niet alleen een aanzienlijke collectie archeologische artefacten en menselijke fossielen op. Het stelde hem ook in staat een veel completer beeld te schetsen van de ontwikkeling van artefacten uit het Mousterien en zelfs het Aurignacien dan voorheen. Hij ontwikkelde ook baanbrekende werken over tafonomie en experimentele archeologie, en ontwikkelde baanbrekende technieken voor de studie van paleolithische artefacten. Hij voerde gedetailleerd onderzoek uit naar de neanderthalerfossielen uit La Quina. Hoewel hij in de beginperiode van zijn onderzoek weinig financiële steun ontving, werd Henri-Martin later geprezen omdat hij zijn waardevolle artefacten niet verkocht, zoals sommige archeologen wel deden.

Doorsnede van de lagen van La Quina. De tijdens de opgravingen verwijderde lagen zijn aangegeven met stippellijnen. (Naar Dr. Henri-Martin.)

Hij ontving in de loop van zijn leven verschillende onderscheidingen. Hij werd benoemd tot Officier in het Légion d’Honneur als erkenning voor zijn verdiensten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Tegen het einde van zijn carrière kreeg hij de titel van directeur van de École Pratique des Hautes Études als erkenning voor zijn jarenlange inzet. Henri-Martin bleef in La Quina werken tot zijn dood in zijn landhuis in La Peyrat, in Blanzaguet-Saint-Cybard, op 9 juni 1936. Hij werd begraven op de begraafplaats Montparnasse in Parijs. Zijn dochter Germaine Henri-Martin zette de opgravingen in La Quina voort en nam het laboratorium in La Peyrat over. In 1976 schonk zij de resterende collectie van het laboratorium aan het Musée des Antiquités Nationales.

Op de foto één van de twee kleine ondiepe La Quina grotten. De foto was gemaakt nadat Germaine de dochter van Henri-Martin de opgravingen stop zette. De site is tot historisch monument geklasseerd en voor publiek niet toegankelijk.

Scène uit de film La Guerre du feu.

Van 1985 tot 1994 voerde de Cooperative American-French Excavation een studieproject uit, waarbij ze opgravingen en 11.500 artefacten onderzoeken. Het resultaat van dit onderzoek werd door Arthur J. Jelinek gepubliceerd in een boek met de titel Neandertal Lithic Industries at La Quina.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *