Steenbewerking in het Midden-Paleolithicum: over Levallois tot spitsen, discoïde kernen en vuistbijlen.
Wie naar stenen werktuigen uit het Midden-Paleolithicum kijkt, ziet het resultaat van verschillende manieren waarop Neanderthalers vuursteen en andere geschikte steensoorten bewerkten. Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken tussen een bewerkingstechniek, de kern waarop wordt gewerkt, de afslagen die daarvan worden verwijderd en de uiteindelijke werktuigen.
De Levallois-techniek
Een van de bekendste technieken is de Levallois-techniek, genoemd naar Levallois-Perret, een voorstad van Parijs. Bij deze techniek werd een vuurstenen kern eerst zorgvuldig voorbereid. Door de vorm van het oppervlak en de randen van de kern te controleren, konden de eigenschappen van een volgende afslag in belangrijke mate worden gestuurd.
De bedoeling was dus niet simpelweg om willekeurig stukken steen van een kern af te slaan. De voorbereiding maakte het mogelijk om een afslag met bepaalde kenmerken te produceren, bijvoorbeeld een gewenste lengte, breedte of puntvorm. Een dergelijke afslag wordt een Levallois-afslag genoemd.
Niet iedere Levallois-afslag was automatisch een werktuig. Sommige afslagen konden direct worden gebruikt, terwijl andere nader werden bewerkt door middel van retouche. Ook kunnen Levallois-kernen zelf na afloop van de productie nog verder zijn geëxploiteerd. Daarom moeten de termen Levallois, afslag en werktuig niet als synoniemen worden gebruikt.
De Levallois-techniek kwam in verschillende perioden en regio’s voor en is vooral goed vertegenwoordigd in het Midden-Paleolithicum. Zij was bovendien niet de enige productiestrategie die door Neanderthalers werd gebruikt.

De discoïde techniek
Een andere belangrijke productiestrategie is de discoïde techniek. In archeologische literatuur wordt vaak de Franse term débitage discoïde gebruikt. Daarbij wordt een kern doorgaans zo bewerkt dat deze een min of meer schijf- of lensachtige vorm krijgt. Rondom de kern worden opeenvolgend afslagen verwijderd, waarbij de vorm van de kern en de plaats van eerdere afslagen bepalend zijn voor de volgende bewerkingen.
Het doel was vooral om efficiënt scherpe afslagen te produceren. De vorm van iedere afzonderlijke afslag werd daarbij doorgaans minder strikt vooraf gestuurd dan bij een klassieke Levallois-reductie.
Een discoïde kern is dus niet hetzelfde als een discoïde werktuig. Discoïde verwijst in de eerste plaats naar de manier waarop de kern wordt geëxploiteerd. De geproduceerde afslagen konden worden gebruikt, geretoucheerd of verder verwerkt. Ook de kern zelf kon tijdens of na de reductie bruikbaar zijn.
Het verschil kan eenvoudig worden samengevat:
Discoïde: een kern herhaaldelijk exploiteren om afslagen te produceren.
Levallois: een kern zorgvuldig voorbereiden om een afslag met vooraf gestuurde eigenschappen te produceren.
In werkelijkheid zijn de grenzen tussen verschillende reductiestrategieën niet altijd scherp. Archeologen classificeren een kern daarom op basis van de gehele technologische organisatie van de bewerking en niet uitsluitend op basis van de uiteindelijke vorm.

Discoïde
Van afslag naar werktuig
Een afslag was niet automatisch afval. De scherpe randen konden direct bruikbaar zijn. Sommige afslagen werden bovendien bewust geretoucheerd: met kleine, gecontroleerde afslagen werd de rand aangepast om een bepaalde vorm of snijhoek te verkrijgen.
Zo ontstonden verschillende typen geretoucheerde werktuigen, waaronder schrabbers en andere vormen die in het Midden-Paleolithicum voorkomen.
Ook hier geldt dat de vorm van een werktuig niet automatisch zijn functie bewijst. Een scherpe afslag kan bijvoorbeeld voor snijden zijn gebruikt, maar zonder gebruikssporenanalyse is een specifieke functie vaak moeilijk met zekerheid vast te stellen.
Spitsen en de Levallois-techniek
Levallois-technologie kon ook worden gebruikt om spitsvormige afslagen te produceren. Deze worden vaak aangeduid als Levallois-punten. Sommige daarvan werden mogelijk als jachtwapen gebruikt, maar een puntvorm alleen is onvoldoende bewijs voor een dergelijke functie. Dat bewijst echter niet dat iedere midden-paleolithische spits een speerpunt was. De functie van individuele vondsten moet worden beoordeeld aan de hand van hun vorm, productietechniek, beschadigingen, gebruikssporen en archeologische context.

Vuistbijlen: een andere manier van werken
Naast afslagen en geretoucheerde werktuigen maakten Neanderthalers ook vuistbijlen, ook wel bifaces genoemd. Hier ligt het accent anders dan bij Levallois- of discoïde productie.
Bij een vuistbijl wordt de steen zelf doelbewust gevormd door aan beide zijden afslagen te verwijderen. Hierdoor ontstaat een werktuig met een doorlopende scherpe rand en vaak een relatief symmetrische vorm. De afslagen die tijdens het maken van de vuistbijl ontstaan, zijn in eerste instantie vooral bijproducten van de vormgeving, hoewel sommige daarvan opnieuw gebruikt kunnen zijn.
Een vuistbijl is daarmee geen product van de discoïde of Levallois-techniek in dezelfde betekenis als een Levallois-afslag. Het is een bifaciaal gevormd werktuig. De verschillende productiestrategieën laten zien dat Neanderthalers hun steenbewerking konden aanpassen aan het gewenste product en aan de beschikbare grondstof.
Wat vertellen deze technieken ons?
De verschillende technieken laten zien dat Neanderthalers niet volgens één vast recept werkten. Zij konden vuursteen op verschillende manieren exploiteren en daarbij rekening houden met de eigenschappen van de grondstof en het gewenste resultaat.
Bij Levallois werd de kern zo voorbereid dat de eigenschappen van een volgende afslag konden worden gestuurd. Bij discoïde reductie werd de kern herhaaldelijk geëxploiteerd om scherpe afslagen te produceren. Bij een vuistbijl werd juist de steen zelf systematisch gevormd tot een groter, bifaciaal werktuig.
Daarbij moet steeds onderscheid worden gemaakt tussen technologie en functie. Een productietechniek vertelt ons hoe een steen is gemaakt, maar niet automatisch waarvoor hij werd gebruikt. Evenmin is iedere afslag een werktuig en is iedere kern uitsluitend afval.
Het Midden-Paleolithicum laat daardoor vooral een grote technologische flexibiliteit zien. De stenen werktuigen vormen het zichtbare eindresultaat van een complex proces waarin grondstofkeuze, kernvoorbereiding, afslagproductie, retouche en mogelijk hergebruik elkaar konden opvolgen.
Van techniek naar werktuig
De kern van het onderscheid is daarom eenvoudig:
Levallois en discoïde zijn productiestrategieën.
Een kern is het uitgangsmateriaal waarop die strategie wordt toegepast.
Een afslag is een product van de kernbewerking en kan al dan niet als werktuig worden gebruikt.
Retouche kan een afslag verder aanpassen tot een gespecialiseerd werktuig.
Een vuistbijl is daarentegen een werktuig dat door bifaciale vormgeving rechtstreeks uit een steen wordt gemaakt.
Deze terminologie voorkomt dat verschillende archeologische begrippen door elkaar worden gehaald en maakt duidelijk hoe veelzijdig de steenbewerking van Neanderthalers in het Midden-Paleolithicum was.


Links: een discoïde uit Frankrijk, toegeschreven aan een vroege pre-Neanderthaler.
Rechts: een discoïde afkomstig van de vindplaats Eemster in Drenthe, uit het Midden-Paleolithicum en geassocieerd met de Neanderthaler, gevonden door Klaas Geertsma. Als de twee stenen qua vorm inderdaad sterk op elkaar lijken, laat dat mooi zien dat een technologische traditie veel langer kan bestaan dan één menselijke populatie.

Drie werktuigen uit dezelfde bodemlaag als de kern die met de discoïde techniek is bewerkt. Stenen zijn willekeurige afslagen, waarbij de twee rechter exemplaren naderhand zijn bewerkt tot werktuigen.

Drie Smilder spitsen, gevonden door Henk Geertsma, vertonen duidelijke kenmerken die wijzen op toepassing van de Levallois-techniek. Met een duidelijke slagrichting aan de onderzijde zichtbaar, evenals retouche langs de zijkanten. De spitsen zijn bewust en zorgvuldig uit een kern geslagen, waarbij de kern vooraf werd voorbereid om de gewenste puntvorm te verkrijgen. De spitsen kunnen voor verschillende doeleinden zijn gebruikt, bijvoorbeeld als speerpunt, priem of als schaaf. Maar de kenmerken getuigen van bewerking uit het midden-paleolithicum.
De term ‘Smilderspitsen’ wordt vooral door sommige amateurarcheologen gebruikt voor bepaalde midden-paleolithische spitsen, genoemd naar vondsten bij Hoogersmilde die door Tjerk Vermaning werden verzameld.
Academische archeologen gebruiken de term doorgaans niet als officiële typologische categorie. Dat hangt mede samen met de Vermaning-affaire: een deel van de door Vermaning gepresenteerde Neanderthalerwerktuigen zou volgens enkele archeologen zijn vervalst of zijn problematisch van herkomst. Daardoor ontstond grote terughoudendheid rond vondsten en terminologie die sterk met Vermaning zijn verbonden.
Dat betekent overigens niet dat de spits die Vermaning vond vervalst is. Zelf geef ik de voorkeur aan Smilderspitsen als ze op het Fies-Drents keileemplateau zijn gevonden.